Nieuws en agenda

Promotie mw. mr. drs. M.J. van Schaik

Titel: Spaces of Culture. A trialectic analysis of the recent developments of cultural venues in Amsterdam
Promotores: prof. dr. ir. J.T. Mommaas, prof. dr. W.G.M. Salet

Samenvatting

De afgelopen decennia laten zien dat theater en tentoonstellingsmakers steeds vaker hun maak- en speelplek kiezen buiten de bestaande gebouwen of de bestaande podia anders gebruiken. Er lijkt zich een verandering voor te doen van het theater en museum als plek voor de elitaire burgerij naar een plek als publieke voorziening met een postmoderne ontheiliging van de kunst. Voor vastgoedbedrijven en gemeentelijke overheden is de financiële en imago-versterkende meerwaarde, ‘city branding’, een steeds belangrijker argument om te investeren in de ontwikkeling van ‘flagship’-cultuurgebouwen.

Binnen de geïnstitutionaliseerde kunst- en cultuurwereld is er discussie over het belang van deze gebouwen voor de vitaliteit van de sector en wordt er steeds nadrukkelijker gepleit om niet meer te investeren in gebouwen, maar het geld te besteden aan programma’s en makers. Ondertussen is er veel geld gestoken in nieuwe cultuurgebouwen, van broedplaatsen tot grote, indrukwekkende cultuurpaleizen. Echter, de vraag is of bij de realisatie hiervan rekening is gehouden met de verandering van denken en maken bij kunstenaars, theatermakers én publiek. Deze vraag is aanleiding van het onderzoek Spaces of Culture van Marjo van Schaik, over de nieuwbouw en herontwikkeling van cultuurgebouwen in Amsterdam vanaf 2000 tot 2016.

Het doel van het onderzoek was om de ruimtelijke, sociale en culturele condities te herkennen die bijdragen aan de culturele ontwikkeling van en in steden. Het is een explorerend onderzoek waarbij literatuuronderzoek en praktijk cases hebben geleid tot de formulering van een denk- en ontwikkelmodel, dat toegepast kan worden op andere (internationale) steden.

De belangrijkste conclusies zijn:


  • De stedelijke planontwikkeling bepaalt de culturele gebouwen infrastructuur.
  • De nieuw/herbouw heeft geleid tot een enorme impuls aan extra culturele activiteiten, maar niet tot meer sociale verbinding.
  • Architecten lijken te werken met vaste ideeën over culturele gebouwen als ‘transparant’, ‘open’ en ‘dynamisch’, maar gebruiken geen wijk-, locatie- en cultuurspecifieke eigenschappen in het ontwerp.
  • Culturele organisaties gebruiken algemene concepten als ‘inspiratie’ en ’reflectie’ om hun identiteit te beschrijven. Opvallend is hoe totaal verschillende gebouwen en programma’s vergelijkbare teksten gebruiken. Zo wordt een illusie gecreëerd, die niet recht doet aan de uniciteit van ieder gebouw, maar wel klopt met de dominante opvattingen binnen het culturele veld.
  • Er is weinig onderzoek gedaan naar de verbinding tussen publiek, de artistieke identiteit, gebouw en de buurt. Dus kan het gebeuren dat de locatie, de precieze setting en de architectuur van een gebouw niet overeenkomen met de gedragscodes van het publiek, makers en/of buurt.
  • Culturele organisaties erkennen de impact van architectuur op het imago, maar hebben er zelf vaak nauwelijks invloed op. Iconische architectuur wordt én als extra waarde én als obstakel gezien.
  • In de praktijk passen nieuwe theaters en musea verschillende ontwikkelstrategieën toe. De leiderschapsstijl en de mate waarin de leiding in staat is op te treden, als inspirator, cultureel ondernemer en/of als verbinder, maakt een essentieel verschil. De onderlinge relaties tussen de gebouwen, de stad en de bewoners/bezoekers/makers zijn samen te vatten in een schema met vier verschillende typologieën van culturele plekken: ‘stand alone’, ‘satellieten’, ‘expansie’ en ‘hub’.

De vitaliteit van de cultuursector is wel degelijk gebaat bij meer gebouwen, mits het hele proces op een andere manier wordt voorbereid en uitgevoerd. Cultuurbeleid en stedelijke ontwikkeling zou sterker verbonden moeten worden. Dat vraagt een omslag in cultuurbeleid naar een proactieve en geïntegreerde gebiedsaanpak. Bovendien zou er ruimte moeten worden voor gemaakt voor het participatiemodel, naast het traditionele model van productie-distributie-consumptie. De cultuurmanagers die het initiatief nemen tot een nieuw gebouw zouden zich veel bewuster moeten zijn van het belang van de precieze locatie en de architectuur. De kennis is voorhanden, maar vaak niet bij hen. Cultuurmanagers zouden stedelijke ontwikkelaars en architecten moeten opzoeken en kennis uitwisselen over het belang van placemaking en sense of belonging en de rol die cultuur daarin kan en moet spelen.

De dissertatie biedt een kritische reflectie, en geeft handvaten voor verbetering. Het is relevant voor cultuurorganisaties, architecten, overheden en onderzoekers in Nederland en daarbuiten. De schaal van Amsterdam als case city maakt het eenvoudig vertaalbaar naar andere steden.


Locatie: Cobbenhagengebouw, Aula (ingang via Koopmansgebouw)


Proefschrift aanvragen








 

Wanneer: 23 februari 2018 10:00

Waar: Bereikbaarheid campus Tilburg University