Academic Forum

Expand your horizons, take time to reflect

Meetbaar Geluk

Dit artikel door Dr. Annemarie Hinten-Nooijen is gepubliceerd in Asset Magazine.

Meetbaar Geluk

geplaatst: 31-07-09

Het CPB stelde medio juni van dit jaar zijn verwachtingen over de Nederlandse economie neerwaarts bij. Het voorziet een 'historische krimp' van het Bruto Binnenlands Product (BBP) van 4,75% in 2009, gevolgd door een krimp van 0,5% is 2010. Gaat met deze mededeling ook de welvaart omlaag? Politici en macro-economen reageren nerveus op de voorspellingen. Het BBP heeft een sterke invloed op beslissingen van politiek, bedrijfsleven, en burgers. Maar wat en hoe meten we eigenlijk met het BBP? Wat is de waarde van deze meetresultaten? De huidige economische crisis lijkt zoals iedere crisis het moment om modellen, ideeën en het meten ter discussie te stellen: opnieuw nadenken over wat we willen en hoe we dat kunnen bereiken. Boeiend is te zien waarom Tilburgse, maar ook Harvard-economen recent een kritische zelfreflectie over de aanpak in de economische wetenschap naar voren brengen. En ook de politiek gaf bij monde van minister van der Hoeven aan dat ze de 'politieke wil' heeft om het kabinetsbeleid te toetsen op meer dan de gebruikelijke economische groei die het BBP aangeeft. Dat doet de vraag rijzen wat er voor alternatieven gewenst zijn.

Kuznets en het ontstaan van het BBP
Hoewel het niet mijn taak is om een college economiegeschiedenis te geven, zou ik willen beginnen met een stukje ontstaansgeschiedenis van het BBP. Het is niet toevallig dat in de huidige economische crisis het BBP hoog op de agenda staat. Het BBP is ooit ontwikkeld als beleidsinstrument tijdens de Grote Depressie in de jaren dertig. In 1932 werd Simon Kuznets, toen economieprofessor aan de universiteit van Pennsylvania, door het Amerikaanse Congres gevraagd om een beter model van getallen te produceren om een goed beeld te krijgen van wat er in de economie gebeurde. Kuznets bouwde een model dat alle geregistreerde gelduitgaven in de economie insloot, het BBP. In zijn begeleidend commentaar bij het model waarschuwde hij dat de cijfers niet gebruikt moeten worden zoals we ze tegenwoordig gebruiken, als welvaartsmeter. Alle niet-gemonetariseerde activiteiten die ook hoge sociale waarde konden hebben ontbraken immers, aldus Kuznets, zoals het ecosysteem en het sociale systeem: 'The welfare of a nation can, therefore, scarcely be inferred from a measurement of national income as defined above'. Zijn waarschuwing voor de relativiteit van het BBP als meetinstrument lijken we vergeten te zijn.

Grenzen aan het mechanische meten
De huidige economische recessie heeft laten zien waar Kuznets al op wees: dat het BBP een gebrekkige maat van economische prestaties was, laat staan van sociale vooruitgang. Te weinig hield men rekening met politiek-sociale en ecologische aspecten van groei: Het was geen duurzame of rechtvaardige groei. Het BBP heeft nog steeds waarde, temeer omdat het als meetinstrument duidelijk is in wat het insluit en uitsluit, gebaseerd is op objectieve prijzen die zijn voortgebracht door de vrije markt en omdat het een vergelijking tussen verschillende landen en de BBP's mogelijk maakt. Maar, het BBP is een kwantitatieve maat, geen kwalitatieve. Het kent geen morele waarde toe aan de activiteiten die het berekent. Dat betekent dat wanneer de overheid in gevangenissen investeert, dat hetzelfde telt als wanneer ze in middelbare scholen investeert. Het louter tellen van de hoeveelheid geproduceerde goederen en diensten maakt de absurditeit van het mechanische meten zichtbaar: statistici meten de gezondheidszorg door de input in plaats van door de output, de verkoop van medische hulp en medicijnen in plaats van het aantal (gezonde en genezen) mensen. De economische held van de BBP-statistieken zou dan de terminaal zieke kankerpatiënt zijn. Bovendien veronderstelt het BBP dat iedereen louter rationele keuzes maakt. Het is dit mensbeeld dat nu vooral onder vuur ligt: de mens als een economische rationalist, zonder gevoelens, zonder overtuigingen waarop 'onlogische' levensstijlen zijn gebaseerd.

Kloof tussen meting en beleving
Het hoeft niet te verbazen dat er een kloof is ontstaan tussen objectieve metingen van economische productie en subjectieve waarnemingen van welzijn. Voor beleidsmakers waren droge, macro-economische maten die veranderingen in de maatschappij weergaven handig, een bewijs dat ze hun werk goed hadden gedaan. Maar voor gewone mensen zijn zulke berekeningen te ver weg van hun alledaagse leven om werkelijk betekenis te hebben. Erger nog, soms waren ze in tegenspraak met hun eigen ervaring. Economische groei ging aan velen voorbij, velen zagen hun leven niet verbeteren. Hoeveel waard is een maatstaf die geen acht slaat op milieuschade of de ontdekking van natuurlijke hulpbronnen, die groei voor een land kunnen betekenen? Er is een steeds grotere consensus dat we niet de juiste dingen aan het meten zijn, dat wat er werkelijk toe doet niet alleen macro-economische groei is maar een meer algemeen begrip van vooruitgang. Van cruciaal en noodzakelijk belang voor een bredere invulling van groei is het vastleggen van de veranderingen die mensen in hun alledaagse leven raken zoals lokale misdaadcijfers en resultaten op het gebied van de gezondheidszorg. De Franse president Sarkozy zag duidelijk in dat maar al te vaak officiële data met de persoonlijke ervaring in strijd waren, waardoor een verschil tussen de politiek en het gewone leven ontstaat. Hij stelde vorig jaar de 'Commission on the Measurement of Economic Performance and Social Progress' in, met als voorzitter de Nobelprijswinnaar voor economie Joseph Stiglitz, en Nobelprijswinnaar Amartya Sen als adviseur. De commissie bepaalt alternatieve meetwijzen voor welvaart en groei.

Zelfkritiek van de economen
De kritiek op het BBP als meetinstrument en de aandacht voor alternatieve indicatoren die meer aansluiten bij subjectieve gewaarwordingen in het alledaagse leven staat niet op zichzelf. Kees Koedijk, decaan van de economiefaculteit van de UvT, stelde onlangs in Me Judice (13-06-2009) dat de economen het contact met de realiteit verloren en de mens in de economie verwaarloosd hebben. De 'leunstoeleconoom' heeft te zeer vertrouwd op de intuïtie en de feiten niet genoeg gewaardeerd: 'Economen hebben in de toepassing van hun economisch gedachtegoed te weinig realisme aan de dag gelegd. De overmoed van de bestuurskamer en de studeerkamer hebben beide voor een gevaarlijk mengsel gezorgd', aldus Koedijk. Een 'reality-economie' moet tegengif bieden voor deze overmoed. 'Het falen van de economische wetenschap is te wijten aan op hol geslagen verbeelding, een verbeelding die op de feiten vooruit loopt. De basisveronderstellingen blijken zo dominant te zijn dat het lijkt alsof, crisis of geen crisis, berichten uit de samenleving het wereldbeeld van economen niet aantasten. [...] Het wordt tijd dat economen de 'harde' inzichten uit de praktijk en van de andere sociale wetenschappen tot zich nemen en de feiten weer laten vooruitlopen op de verbeelding in plaats van andersom'. Hoorde ik dat de founding father van de UvT, Cobbenhagen, niet al ooit zeggen?
Al eerder krabden ook professoren van diverse Business Schools in de VS zich achter de oren. De Harvard Business Review begon een online debat over de vraag 'How to Fix Business Schools'. In Harvard heeft men als een van de eersten programma's opgezet om de nieuwe kwesties waarmee het bedrijfsleven wordt geconfronteerd onder de loep te nemen. Veel scholen hebben weer de kwesties van risico en financiële vormgeving in hun curriculum. Maar is dat genoeg? Garth Saloner, professor aan de Stanford Business School, is van mening dat de pedagogiek en de inhoud moeten veranderen: alle MBA-studenten moeten in kleine tutorial groepen werken om zakenkwesties te bespreken. Zo willen ze daar 'equip students to think critically about the issues business face' ( The Financial Times , 08-06-2009). Kritisch leren denken, dat wil zeggen zaken kunnen relativeren.
En daar ging het mis, bij het gebrek aan relativering. De afgelopen jaren bepaalde het marktdenken alles. Organisaties konden worden afgerekend op meetbare, telbare resultaten Alles wat niet te tellen was, was niet van waarde. Er vond een verabsolutering van de leer plaats, het vrije-markt fundamentalisme, zo beschrijft de socioloog Abram de Swaan ( NRC , 30-10-2008). Uit de ene absolute leer wordt met volstrekte stelligheid afgeleid wat waar is, wat goed is om te doen en wat van waarde is. De leer van de vrije markt was geen wetenschap maar een ideologie, de professoren niets meer dan ideologen, en de Business Schools en Schools of Management louter wereldbeschouwelijke vormingscentra. Ook economieprofessor Arnold Heertje wees er in zijn boek Echte Economie (2006) al op dat economen, vooral bedrijfseconomen en accountants hun blik louter op de calculeerbare werkelijkheid gericht hielden. Hij waarschuwde voor het gevaar om het monetariseren tot hoeksteen van de economische beschouwingswijze te maken. Heertje pleitte voor een breder welvaartsbegrip, waarbij economische ontwikkeling niet beperkt is tot groeipercentages van het nationaal inkomen, maar gaat over de dynamiek van de behoeftebevrediging. Aan het BBP was geen absolute betekenis toe te kennen, een breder begrip van vooruitgang veronderstelt aanvullende indicatoren. Ook steeds meer politici zien dat het BBP als welvaartsmaat niet zaligmakend is. Zo was er in november 2007 een gezamenlijke conferentie van de Europese Commissie, het Europees Parlement, de Club van Rome, de OESO en het Wereld Natuur Fonds met als thema 'Beyond GNP'.

Bruto Nationaal Geluk
Het meest extreme alternatief van het BBP is het Himalaya-koninkrijkje Bhutan. Het land met slechts 700.000 inwoners, één vliegveld en een hoofdstad zonder verkeerslichten, telt het Bruto Nationaal Geluk (BNG) boven de maat van het BBP. De theorie achter het BNG is dat economische groei niet het doel in zichzelf is, maar een middel om andere doelen te bereiken zoals vrede, veiligheid, groter welbevinden en geluk. Bij het aanvaarden van de troon in december 2006 wees koning Khesar op het GNH als beleidsvisie voor zijn land: 'The ultimate goal for social, economic, political changes in Bhutan is fulfillment of GNH; [...] a GNH society means the creation of an enlightened society in which happiness and well-being of all people and sentient beings is the ultimate purpose of governance'. Het Centrum voor Bhutan Studies verzamelt data op basis van een groot aantal variabelen, waarvan er veel hun oorsprong hebben in de staatsreligie, het boeddhisme. Het BNG-model bestaat uit vier pilaren, die onderverdeeld in negen domeinen, waaronder gezondheid, cultuur, psychologisch welzijn, goed bestuur, omgang met begrip tijd. Zelfs in de grondwet is in 2008 vastgelegd dat overheidsprogramma's niet beoordeeld worden op wat ze aan economische winst opleveren maar wat ze bijdragen aan geluk.
Niet alleen in Bhutan staat geluk als indicator in the picture. Geluk leek voorbehouden aan filosofen, maar de laatste jaren is het steeds meer ook onderwerp van onderzoek voor economen, zoals bij gelukseconoom Richard Layard en de Zwitserse econoom Bruno Frey. Het CPB heeft in de Macro Economische Verkenning (MEV) 2008 een apart hoofdstuk over geluk en economie opgenomen. Geluksmetingen laten zien dat voorbij bepaald inkomensniveau mensen nauwelijks gelukkiger worden als hun inkomen stijgt, een bevinding die bekend staat als de Easterlin-paradox. Dit moet, volgens sommige economen, gevolgen hebben voor de manier waarop met het begrip welvaart in economische analyses wordt omgegaan. Anders dan op het absolute inkomen zou de focus dan veel meer op het relatieve inkomen moeten liggen. Voordat implicaties van het geluksonderzoek voor de analyse van het economische beleid voldoende duidelijk zijn is er nog veel empirisch en theoretisch onderzoek nodig.

Een 'dashboard' van indicatoren
De meeste wetenschappers en politici zijn het er wel over eens dat geluksonderzoek zoals in Bhutan niet als leidraad van beleid genomen moet worden. Een veel bredere set van indicatoren is gewenst. De commissie van Sarkozy zal niet één vervanging voor het BBP vinden, maar een 'dashboard' van indicatoren om het brede debat te stimuleren over het gebruik en misbruik van economische statistieken. Het debat over het meten van vooruitgang blijft in Nederland nog altijd vrij eenzijdig, zo onderkent de onderdirecteur van het CPB, George Gelauff. De regering wil immers de cijfers van het BBP. En natuurlijk spelen belangen van vrijhandelaars mee.
Alternatieve en complementaire welvaartsindicatoren zijn echter al voorhanden. Te denken valt aan de Ecologische voetafdruk, de Living Planet Index, de Human Development Index (HDI), het Duurzaam Nationaal Inkomen (DNI) en de Index of Sustainable Economic Welfare (ISEW). Wetenschappers en beleidsmakers zitten niet stil. Er bestaat een Platform Duurzame en Solidaire Economie, er ligt een Urgentieprogramma klaar, er is een Transitiebeleid, in 2008 werd de Verklaring van Tilburg op de UvT ondertekend en in 2009 het Appèl van Antwerpen, als een pleidooi voor de noodzakelijke omvorming van de economie in de richting van meer duurzaamheid en solidariteit. Een streven dat Stiglitz ten volle onderschrijft: 'Producing better, truer, ways of measuring economic, environmental and social performance is a critical step in making progress towards building a better world'.
Wat we tenslotte niet moeten vergeten, is dat er bovenal vragen te stellen zijn wat we met onze maatschappij willen, wat we echt belangrijk vinden. Als we die vragen hebben beantwoord, volgt daaruit vanzelf een nieuwe meetmethode voor welvaart en vooruitgang. Laat het aankomend Assetcongres over 'sustainable globalization' nu een gelegenheid bij uitstek zijn om dergelijke vragen te stellen.
Het was akelig stil bij de discussies over 'voorbij het BBP' en over duurzame economie in de afgelopen jaren bij de economen in Tilburg (enkele uitzonderingen daargelaten), stiller dan bij uw Nijmeegse of Amsterdamse collega's. Het CWL nodigt u graag uit om met u over bovengenoemde thema's in gesprek te gaan. De tijd lijkt er akelig rijp voor.

Bronnen:
Harry van Dalen en Kees Koedijk, 2009, 'De leunstoeleconoom gaat aan verbeelding ten onder', Me Judice , 13 juni 2009
The Financial Times (2009)
NRC Handelsblad (2008-2009)
Die Gazette (2008)
Macro Economische Verkenning 2008
OECD Observer No 272 March 2009
Opinion of the European Economic and Social Committee on Beyond GDP, 22-10-2008
www.grossnationalhappiness.com
www.economischegroei.net
Arnold Heertje: Echte Economie . Nijmegen 2006
Jeroen van den Bergh: The GDP paradox, Journal of Economic Psychology 30 (2009), 117-135
Dr. Annemarie Hinten-Nooijen, Academic Forum