Onderzoek Theologie

Onder het motto "Gelovig zoeken naar inzicht" wil de Faculteit Katholieke Theologie deze traditie in de context van de hedendaagse cultuur wetenschappelijk bestuderen.

Vorige conferenties

Hieronder vind u de verslagen van eerdere conferenties:

2016: Ekklesiologie heute

Amersfoort, 28-29 oktober 2016

Het thema van de 27e najaarsconferentie was Ekklesiologie und Kirchentheorie in der Gegenwart. De conferentie werd georganiseerd in samenwerking met de  Evangelisch-Theologische en de Katholisch-Theologische Fakultät van de Westfälische Wilhems-Universität Münster.

De centrale vragen waren: is het nog steeds dominante liberale kerkmodel van bijvoorbeeld Rendtorff en Graf te verbinden met nieuwere visies op de kerk, zoals de post-liberale visie van Hauerwas en Lindbeck, de ideeën van Radical Orthodoxy en de theorieën en praktijken van evangelicale en charismatische bewegingen? En verschilt de situatie in Nederland van die in Duitsland?  

De hoofdspreker was Jürgen Werbick, emeritus hoogleraar fundamentele theologie van de katholieke theologische faculteit van Münster. Met een beroep op Gaudium et Spes pleitte Werbick voor een “diakonaal-sacramentele presentie” van de Kerk in de wereld met het oog op het Rijk Gods. Dat houdt in dat de Kerk onzelfzuchtig (selbstlos) ten dienste staat van de levens- en geloofsvreugde van de mensen. Zij doet dat door Geistesgegenwärtig te zijn, opmerkzaam te zijn op de werking van Gods Geest en uit de vrijmoedigheid van de Geest gebonden mensen aan te spreken zodat zij gaan leven onder Gods heerschappij. Het was de zending van Christus om de vleesgeworden belofte van het Rijk Gods te zijn. Als zij diakonaal de mensen ten dienste staat wordt de Kerk het Lichaam van Christus en wordt de presentie van de Kerk in de wereld ‘sacramentele’ presentie. De Kerk is in die zin Grundsakrament. In plaats van moreel instituut of groep Gutmenschen moet de Kerk creatief en experimenteel zoeken naar vormen waardoor mensen ‘levend gemaakt’ kunnen worden.

Kees van der Kooij (VU) was de eerste coreferent. Hij waarschuwde voor het gevaar van instrumentalisering van de kerk in de moderne samenleving als service-instelling. De profetisch-ethische stem in het publieke debat blijft een taak van de Kerk, waarbij de positie van de kerken in Duitsland sterker is dan in Nederland. Het doorvertellen van Bijbelse verhalen is kerntaak van de Kerk. Het kerk-zijn is in Europa heel gefragmentariseerd. Ecclesiologie van onderop waarbij ook empirische data onmisbaar zijn is nodig om de verschillende manifestaties van kerk-zijn te onderkennen. De tweede coreferent was Henk Witte (TiU). Hij wees ook op de nieuwe vormen van kerk-zijn die zich nu ontwikkelen en pleitte voor een ‘ecclesio-genetische’ in plaats van een ecclesiologische benadering. Daarnaast benadrukte Witte de christologische basis van de visie op de kerk. Accenten in de hedendaagse christologie, zoals aandacht voor kenosis, bereidheid van gasten te leren en de dood te accepteren, zouden ook moeten doorwerken in de leer over de kerk.   

Peter-Ben Smit (VU en Oud-Katholiek Seminarie) gaf een exegetische lezing over Paulus’ zelf-roem in Filippenzen. Tekstlezingen werden verzorgd door Hans-Peter Großhans (Evangelisch-Theologische Fakultät Münster) uit Luther, Peter Jonkers (TST) uit Charles Taylor, Dorothea Sattler (Katholisch-Theologische Fakultät Münster) uit Vaticanum II en Michael Beintker (Evangelisch-Theologische Fakultät Münster) uit GEKE-Text Die Kirche Jesu Christi.

Terug naar boven

2015: Gods almacht en wereldbestuur

De Glind, 27-28 oktober 2015

‘Gods almacht en wereldbestuur’ was het thema van de 26e najaarsconferentie, waaraan 25 leden deelnamen.

De belijdenis van God als almachtige Vader en Schepper van hemel en aarde houdt volgens de klassieke theologie ook in dat God wordt beleden als de regeerder van de wereld/kosmos. Als God de schepper van alles is, dan schept Hij ook alle dingen en alle gebeurtenissen/handelingen die nu zijn. En Hij doet dat doelgericht, namelijk om alles naar zijn voltooiing te brengen. Klassiek werd dit uitgedrukt met termen als gubernatio en concursus (generalis). Maar in de moderne tijd, met de opkomst van de natuurwetenschappen en hun immanente wereldverklaring, heeft het leerstuk van Gods wereldregering aan plausibiliteit ingeboet – om het mild te zeggen. Het deïsme ondervond weliswaar weinig weerklank in de christelijke theologie, maar niettemin verschoof de aandacht van theologen naar de concursus specialis (Gods zorg voor de gelovigen of uitverkorenen) en werd de concursus generalis verengd tot de theodicee-vraag. Die verschuiving is zeker te billijken: binnen een moderne context kan de leer van Gods wereldbestuur in de theologie zich te veel aanmatigen en in de concrete geloofsvoorstelling en –beleving verlammend werken. Maar is het met verdwijnen van het leerstuk van Gods wereldbestuur, ook niet een wezenlijke intuïtie van het christelijk geloof verlorengegaan? Zo ja, wat is dat dan? En hoe moeten we Gods werkzaam verstaan, zeker in relatie tot geweld en kwaad? Zijn er politieke consequenties aan het geloof in Gods wereldregering?

Gasthoofdspreker was Ian McFarland (Cambridge). Hij kritiseerde de lezing van Gods wereldbestuur vanuit het perspectief van natuurlijke theologie en verdedigde een lezing vanuit de triniteitstheologie, waarin ‘albestuur’ wordt toegekend aan de Vader en de werkzaamheid van de Vader wordt geduid in termen van vrije zelfgave, zowel binnentrinitair als in relatie tot de wereld. Het kwaad bestaat dan in de weigering van schepselen die goddelijke zelfgave te aanvaarden, waarmee ze zich tot ‘anti-scheppers’ en zelfvernietigers maken.

De avondlezing werd verzorgd door Anne Marijke Spijkerboer (RUG) over de ontwikkeling van beelden van de Pantokrator in de christelijke kunst. Klaas Spronk (PThU) besprak als exegeet Richteren 6. En er waren tekstlezingen van Augustinus door Aza Goudriaan (VU) en van de disputatie over de Voorzienigheid uit de Leidse Synopsis Purioris Theologiae uit 1625 door Dolf te Velde (TUKampen en ETF).

Terug naar boven

2014: Geloven, daad en gave

Witteveen, 27-28 oktober 2014

Het congres van 2014 vond plaats in hotel Het Witte Veen, in Witteveen (Drenthe) met ongeveer 25 deelnemers. Het thema was: Geloven, daad en gave. Geloven is een menselijke daad maar overkomt ons ook en wordt ons gegeven. In de eerste plaats wordt het door God geschonken in de zendingen van de Zoon en de Geest. Jezus Christus, de godmens, bemiddelt de geloofsgave door zijn geloof en ons geloof in Hem: pistis Iesou Christou duidt zowel op het geloof/trouw van Jezus als in Jezus. De bemiddeling gebeurt aan ons ook door de Kerk, het Lichaam van Christus, gesticht door de Geest. De Traditie en de symbola als kerkelijke gesanctioneerde uitdrukkingen van de geloofsinhoud (fides quae) geven ons de kerkelijke vormgeving van het geloof.

Maar ook op antropologisch niveau kent het geloven (fides qua) een zekere passiviteit. In de theologie bestaat al langere tijd weerstand tegen een te exclusieve nadruk op het cognitieve aspect en propositionele waarheidsclaims in het geloof (vgl. Bultmann en Barth). De epistemic turn van het moderne denken leidde tot een propositioneel openbaringsbegrip, dat Barth en Rahner in de jaren 50 van de vorige eeuw al bekritiseerden. Volgens hen ligt de kern van Gods openbaring in zijn zelfopenbaring, Gods zelfmededeling in de zendingen van de Zoon en de Geest, en niet zozeer in het meedelen van propositionele waarheden. Vandaag de dag lijkt de kritiek op een te cognitieve opvatting van geloven te worden versterkt door de waarde die de laat-moderne cultuur toekent aan persoonlijke beleving, emoties en affectiviteit, waarover wij niet altijd direct kunnen regeren als autonome, rationele, zelfbewuste subjecten. Biedt deze hedendaagse culturele gevoeligheid een verrijking van het geloofsbegrip of is het gevaar? Welke theologische betekenis kunnen wij nu nog toekennen aan geloofswaarheden, zoals bijvoorbeeld verwoord in het symbolon?

Onze hoofdspreker was dit jaar prof. dr. Philip Stoellger. Hij is hoogleraar Systematische Theologie en Godsdienstfilosofie aan de theologische faculteit van de Universiteit van Rostock. In 1999 promoveerde hij bij Dalferth op het proefschrift Metapher und Lebenswelt. Hans Blumenbergs Metaphorologie als hermeneutische Phänomenologie geschichtlicher Lebenswelten und ihr religionsphänomenologischer Horizont. Zijn Habilitation verkreeg hij in 2006 met de studie Passivität aus Passion. Zur Problemgeschichte einer categoria non grata. Hij heeft een bijzondere belangstelling voor hermeneutiek en fenomenologie en publiceerde veel over de invloed van beelden en beeldcultuur. Zijn hoofdlezing had als titel ‘Du sollst begehren! Zum Begehren zwischen Sünde und Glaube. Oder: Von der Rechtfertigung des Begehrens’, waarin hij inging op de ambiguïteit van het menselijk verlangen vanuit theologisch perspectief.

Prof. dr. Wessel Stoker, emeritus hoogleraar esthetiek aan de VU, gaf donderdagavond een lezing over theologie en kunst. Hij betoogde dat kunst voor het geloof bijna onmisbaar is omdat geloven met affectiviteit te maken heeft.

Vrijdagmorgen werd de exegetische lezing gehouden door dr.ir. Bas van Os (VU) over Marcus 9:14-29. De drie tekstlezingen werden verzorgd door: Dr. Liuwe Westra (FKT) rond sermo 213 en 215 van Augustinus. Dr. Harm Goris (FKT) disputatio 31 uit de Synopsis Purioris Theologiae (1625). En prof. dr. Heleen Zorgdrager (PThU) : Friedrich Schleiermacher, par 14 uit:  Der christliche Glaube (1830/31).

Terug naar boven

2013: Schuld und Vergebung in der heutigen Gesellschaft’

Münster, 28-29 oktober 2013

Voor het eerst in zijn 22-jarig bestaan organiseerde ‘De Christelijke Geloofsartikelen’ zijn najaarsconferentie samen met een internationale partner: de evangelische en de katholieke theologische faculteiten van Münster. Een kleine dertig Nederlandse en Duitse dogmatici bespraken de thema’s schuld en vergeving in de hedendaagse samenleving.

In de openingslezing stelde Dorothea Sattler (Münster, katholische Fakultät) een antropologische toegang tot de christelijke verlossingsleer voor. Ze betoogde dat de belemmeringen die mensen ondervinden bij het realiseren van een ‘gelukt leven’, ten diepste liggen in over generaties heen ontstane verstoringen van menselijke verhoudingen. Deze ‘verstrikking in schuld’ is wat het christendom duidt als ‘erfzonde’. Het gehele Christusgebeuren (incarnatie, leven, lijden, dood, verrijzenis en zending van de Geest) openbaart Gods onvoorwaardelijke welwillende verhouding tot mensen, wat hen weer inspireert tot een soortgelijke tussenmenselijke houding.

Gerard den Hertog (TUA) contrasteerde de grote maatschappelijke aandacht voor schuld, vergeving, verzoening en genoegdoening met de terughoudendheid van christenen rond deze thema’s. Hij waardeerde deze terughoudendheid bij tussenmenselijke schuldvergeving, mits ze stoelt op een verlangend uitzien naar de werkzaamheid van Gods zondevergeving in onze wereld. Gods zondevergeving is kwalitatief anders, kan creatief nieuwe wegen openen uit de onvermoede diepte van de menselijke verlorenheid. Ze heeft ook het primaat, maar niettemin moeten wij beginnen te blijven bij en het uit te houden met de slachtoffers vóór we met hen over universele vergeving kunnen gaan spreken.

Evenals Sattler, ging ook ondergetekende (TST) in zijn lezing in op de sociale en culturele dimensies van de zonde in aanvulling op de ‘persoonlijke zonde’, dat sinds de middeleeuwen dominant is geweest. Aansluitend bij Robert Doran en Bernard Lonergan definieerde hij zonde als een verstoring van de dialectiek tussen menselijke eindigheid en transcendentie op persoonlijk, sociaal en/of cultureel niveau en verbond dit met de Jürgen Habermas’ idee van ‘leefwereld’ als de prereflexieve context van al onze overtuigingen en waarden met eveneens de drie componenten van het sociale, persoonlijke en het culturele.

Michael Beintker (Münster, evangelische Fakultät) sprak over vergeving aan de hand van de ‘Stuttgarter Erklärung’ door de Evangelische Kirche uit oktober 1945 over het tekortschieten van de kerk in haar verzet tegen het nazisme en over haar zelfreiniging en vernieuwing. Hij ging gedetailleerd in op tekstuele problemen zoals de vraag naar het auteurschap (kerk, volk, kerkleiding?), het concept ‘collectieve schuld’ en mogelijk verzachtende formuleringen. De schuldige moet zich bekeren en zich toekeren naar de slachtoffers, maar genoegdoening en absolute vernedering (‘gang naar Canossa’) mogen volgens Beintker geen voorwaarden zijn.

Conform het format van de X-ART conferenties waren er ook gezamenlijke tekstlezingen: onder leiding van Eric Luijten (Fontys Theologie) werd een tekst van Thomas van Aquino over de biecht gelezen en Rick Benjamins (PThU) verzorgde een tekstlezing uit Tillich (‘You are accepted’).   Hans-Peter Großhans (Münster, evangelische Fakultät) gaf ten slotte een indringende analyse van het zondebokmechanisme na het drama van de Love-Parade in Duisburg in 2010, waarbij 21 doden vielen.

Het is de bedoeling dat in de toekomst Münster en X-ART om de drie jaar samen een conferentie organiseren, terwijl de andere twee jaren X-ART de eigen najaarsconferentie zal blijven houden.


Terug naar boven

2012: Het Laatste Oordeel

Op 25 en 26 oktober organiseerden we onze 23e najaarsconferentie in De Glind met 35 deelnemers en als onderwerp het Laatste Oordeel. Welke theologische interpretaties zijn aan dit zo tot de verbeelding sprekende leerstuk gegeven in de theologische traditie, welke actuele theologische betekenis kan het leerstuk nu nog hebben, en hoe kan het in gesprek worden gebracht met de hedendaagse filosofie?

De hoofdspreker was David Fergusson, Professor of Divinity aan de Universiteit van Edinburgh. In zijn lezing benadrukt hij Christoph Schwöbels constatering dat in de vorige eeuw weliswaar het besef doordrong dat heel de theologie een eschatologisch karakter heeft, maar dat de aandacht daarbij vooral uitging naar het ‘eschaton’ in het algemeen en nauwelijks naar de traditionele, afzonderlijke ‘eschata’, zoals Laatste Oordeel. Fergusson gaf een Bijbels en theologiehistorisch overzicht van telkens veranderende voorstellingen en opvattingen rond het Laatste Oordeel. In navolging van Barth, benadrukte hij het belang van de ‘eschatos’, van Christus als de Rechter, en dus van een christologische duiding van het Laatste Oordeel. Gods oordeel is voltrokken in Christus’ sterven en verrijzenis. Daarbij sluit goed aan de huidige trend onder exegeten om Gods rechtvaardigheid in de Schrift vooral als restauratief (herstel van verbroken relaties) en niet zozeer als straffend of vergeldend te zien.

In reactie stelden de twee coreferenten, Marcel Sarot (FKT) en Stephan van Erp (RU) een reeks indringende vragen. Hoe verhouden zich in het eschatologisch spreken Gods openbaring en onze belijdenis? Hoe moeten we de relaties tussen de verrijzenis, hemelvaart, wederkomst van Christus en het Laatste Oordeel denken, en in welke tijdscategorieën? Wat is de eschatologische betekenis van doop en eucharistie? Gaat het louter om herstel of toch ook om vergelding? Is alverzoening (apokatastasis) een serieuze optie? Spelen de eigen werken een rol of gaat het alleen om Gods genadig en soeverein handelen? Is er toch niet een zekere inhoudelijke verbeelding van de eschata nodig omdat we anders niet begrijpen waarover we het hebben? Te veel vragen voor te weinig tijd.

Theo de Wit (FKT) hield een spannende lezing over de politiek-filosofische gevolgen van de secularisering van het Laatste Oordeel en van slachtofferschap. De definitieve vergelding voor onrecht en genoegdoening voor het slachtoffer werden vroeger eschatologisch uitgesteld, maar worden in onze post-christelijke cultuur binnen het hier en nu opgeëist met alle gevolgen voor de rechtspraak en voor het omgaan met politieke conflicten.

Bert Jan Lietaert Peerbolte (VU) besprak de bijbelwetenschappelijke vraag naar de definitie van ‘apocalyptiek’. Hij ging ook in op de verhouding tussen de echt paulijnse Naherwartung (spoedig aanbreken van de eindtijd) in 1 Thessalonicenzen en de deuteropaulinische visie van 2 Thessalonicenzen, waarin het aanbreken van de eindtijd onbepaald blijft. In de tweede en derde eeuw combineert men de uiteenlopende eschatologische voorstellingen uit verschillende Bijbelse bronnen tot één eindtijdelijk scenario.

Tot het format van de XART conferenties behoren ook tekstlezingen van klassieke auteurs. Dit jaar werden gezamenlijk teksten over het Laatste Oordeel gelezen van Augustinus (Bernard ten Hove, VU), Luther (Markus Matthias, PthU) en Bultmann (Gea Smit, PThU).

Terug naar boven

2011: De geschapen mens: geest, lichaam en vrijheid

Van 5 t/m 7 oktober 2011 organiseerde XART zijn jaarlijkse najaarsconferentie. Na vele jaren in Fredeshiem (Overijssel), kwamen we nu bijeen in Congrescentrum De Glind. Ongeveer 25 dogmatici namen deel.

Het thema was: ‘de geschapen mens: geest, lichaam en vrijheid’. Stormachtige ontwikkelingen in de neurowetenschappen, medische wetenschap en nanotechnologie en ook toekomstspeculaties over ‘transhumanisme’ stellen de oude vragen naar het wezen en doel van de mens op een nieuwe manier. En dit gebeurt op een manier die veel mensen aanspreekt. Wat betekent dit alles voor de theologie? Kunnen wij zinvol meedoen vanuit gelovige visies op mens en schepping? De discussies tijdens het congres spitsten zich toe op neurowetenschappelijke conclusies over menselijke vrijheid.

De hoofdspreker was Christian Link, emeritus hoogleraar Systematische Theologie uit Bochum, een belangrijke autoriteit op het gebied van de scheppingstheologie in Duitsland. Hij betoogde dat de theologie redelijk had leren omgaan met Galilei en Darwin, en ook met de godsdienstkritiek van Feuerbach, Marx en Freud, maar dat de neurowetenschappelijke ontkenning van de menselijke vrije wil de ‘levenszenuw’ van de theologie raakt. Er is naar zijn mening geen dialoog tussen theologie en (zulke) neurowetenschappen mogelijk. Zelf greep Link terug op Luther en op Kant voor een goed begrip van menselijke vrijheid.

De twee coreferenten, Gijsbert van den Brink (PThU, VU) en Palmyre Oomen (RU, TUE), gingen in op de kritische discussies onder neurowetenschappers zelf over de radicale interpretatie van het beroemde experiment van Benjamin Libet dat laat zien dat onbewuste neurologische processen voorafgaan aan bewuste wilsacten. In Nederland duidt Dick Swaab de uitkomst van het experiment als een ontkenning van de vrij wil. Maar veel neurowetenschappers delen deze conclusie niet. Guus Labooy (medicus en predikant PKN) sprak over het onder hedendaagse filosofen dominante model van ‘Non Reductive Physicalism’, waarin geestelijke of mentale eigenschappen worden beschouwd als voortkomend uit (emergent from of supervenient on) fysiologische hersentoestanden (brainstates). Ontologisch zijn deze mentale eigenschappen identiek met de neurologische toestand, maar semantisch niet: verliefdheid is niets anders dan chemische stofjes en elektrische prikkels, maar betekent dat niet. Labooy contrasteerde dit model met het klassieke model van de samenstelling van ziel/geest en lichaam in de interpretatie van Duns Scotus.

Tot het format van de XART conferenties behoren ook tekstlezingen van klassieke auteurs. Dit jaar werden teksten gelezen van Irenaeus (Piet Hein Hupsch, FKT), Gomarus (Dolf te Velde, predikant GKv) en Iwand (Gerard den Hertog, TUA) over menselijke vrijheid. De exegetische voordracht werd verzorgd door Ed Noort (RUG). In een fascinerend betoog vergeleek Noort de antropologische visies van drie Bijbelteksten: de vertelling in Gen. 2, 7, het profetisch visioen in Ez. 37 en de wijsheidsvisie in Prediker 3 en 12. Ariaan Baan (PThU) presenteerde zijn bijna voltooide promotie-onderzoek over het begrip ‘christelijk getuigenis’ in het denken van Hauerwas.

De goede sfeer, de ontspannen ambiance van De Glind, de deskundigheid en diversiteit van de deelnemers, en de actualiteit van het thema maakten deze 22e XART-conferentie tot een heel vruchtbare en plezierige bijeenkomst.

Terug naar boven

2010: Der menschliche Geist und der Geist Gottes'

Van 18 t/m 20 oktober 2010 organiseerde XART voor de 21e keer zijn jaarlijkse najaarsconferentie in De Bult. Ongeveer 25 dogmatisch theologen namen deel aan de conferentie.

Het thema dit jaar was ‘der menschliche Geist und der Geist Gottes’. Hoofdspreker was Michael Welker, hoogleraar dogmatiek in Heidelberg en bekend van publicaties op het gebied van de pneumatologie en de relatie tussen geloof en natuurwetenschappen. In zijn lezing ging Welker eerst in op de meerzinnigheid, reikwijdte en ambivalentie van ‘menselijke geest’, zowel individueel als collectief, uitlopend op de kernvraag naar welk criterium kan bepalen of een geest van God komt. Interessant was hierbij het contrast dat Welker schetste tussen de zelf-referentialiteit van de zichzelf denkende geest bij Aristoteles en Hegel, en de bijbelse Geest van God, die juist van zich af naar een Ander wijst. Vervolgens stelde hij een nieuwe christologische bepaling van de pneumatologie voor aan de hand van de leer van het drievoudig ambt van Christus. In plaats van de gangbare indeling waarbij het profetisch ambt verbonden wordt met het voor-paschaal optreden van Jezus, het priesterlijk ambt met zijn lijden en kruisdood en het koninklijk ambt met de verrezen Christus, stelde Welker een alternatieve indeling voor op basis van de tegenwoordigheid van de Geest aan Christus. Het koninklijk, politiek ambt komt dan voorpaschaal tot uitdrukking in het handelen van Jezus zoals het voeden en helen van mensen en het insluiten van gemarginaliseerde groepen (kinderen, heidenen, vrouwen). Als verzet tegen de goddeloze machten in de wereld behoort de kruisdood tot Christus’ profetisch ambt. En de activiteit van de verrezen Christus in de vorm van vredesgroet, zending, zegening en vergeving getuigen van zijn priesterlijk ambt. Als appendix ging Welker kort in op de implicaties van zijn visie voor de theologie van de religies.

Het coreferaat bij Welkers lezing kwam van Erik Borgman (UvT). Hij waardeerde de missio Dei theologie van Welker en zag inhoudelijk duidelijk parallellen met de heilshistorische benadering van Vaticanum II. Maar Borgman onderkende ook drie parallelle problemen. Ten eerste de plaats van de Kerk in/tegenover de wereld als die wereld zelf al getuigt van Gods aanwezigheid. Ten tweede: als je uitgaat van de veelvuldige aanwezigheid van God in de wereld in de personen van Zoon en Geest, is de eenheid van God niet meer iets dat is voorgegeven, maar iets waarnaar we zoeken en wat zich misschien pas eschatologisch openbaart. Het derde probleem is ook het klassieke bezwaar tegen een christologische bepaling van de pneumatologie: is er in de geschiedenis van Kerk en wereld nog plaats voor een (pneumatologisch) novum of is er alleen ruimte voor (christologische) herhaling? Tot het format van de XART conferenties behoren ook tekstlezingen van klassieke auteurs – dit jaar van Basilius de Grote en van Hans Urs von Balthasar – en een exegetische voordracht. De laatste werd nu verzorgd door Martin de Boer, hoogleraar NT aan de VU, en ging over de Geest in Galaten 3-4. Uitgaande van de nieuwe lezing dat de ‘pistis Christou’ niet het geloof in Christus betekent, maar de trouw van Jezus Christus tot in de dood, argumenteerde De Boer dat Paulus de Galaten eraan wil herinneren dat Christus in hen aanwezig is door de zending van de Geest in hun hart en die ze hebben ontvangen toen ze Paulus hoorden verkondigen (‘eks akoès’).

Gerrit van de Kamp, gepromoveerd in 1983 op de geestchristologie, gaf een uitstekend overzicht en analyse van de ontwikkelingen op het gebied van de geestchristologie in de afgelopen veertig jaar. De concluding remarks werden gegeven door Rinse Reeling Brouwer (PThU).

De open sfeer, levendige discussies, verschil in achtergrond en deskundigheid van de deelnemers, actualiteit en theologische inhoud van het thema, en de locatie maakten ook deze 21e XART-conferentie tot een heel vruchtbare en plezierige bijeenkomst.

Terug naar boven

2009: De Geest en de Religies

Van 20 t/m 23 oktober 2009 organiseerde XART zijn jaarlijkse najaarsconferentie in De Bult. Ongeveer 25 dogmatisch theologen namen deel aan de conferentie. Het thema van dit jaar was ‘de Geest en de religies’ en combineerde de twee onderzoekslijnen van het XART-onderzoeksprogramma ‘actuality of God-talk’ samenwerkingsverband: pneumatologie en theologie van de religies. Hoe kan en moet er over de werkzaamheid van de H. Geest gesproken worden in andere religies dan het christendom?

Hoofdspreker was Gavin D’Costa, hoogleraar katholieke theologie aan de universiteit van Bristol en een toonaangevend denker op het gebied van de theologie van de religies. Hij is vooral bekend vanwege zijn fundamentele postmoderne en theologische kritiek op het zogeheten pluralistisch model van interreligieuze dialoog zoals dat bijvoorbeeld door John Hick is ontwikkeld. Het pluralisme huldigt het standpunt dat alle religies in principe gelijkwaardig zijn in hun waarheidsaanspraken en hun transformerende potentialiteit. Maar volgens D’Costa is elk pluralistisch model in wezen een verkapte vorm van exclusivisme dat aan de eigen, particuliere positie het aura van algemene geldigheid geeft, meestal op basis van premissen die voortkomen uit het moderne verlichtingsdenken.

In zijn hoofdlezing ging D’Costa kritisch in op de vraag of we mogen spreken over de werkzaamheid van de H. Geest in niet-christelijke religies met behulp van de theologisch beladen termen ‘inspiratie’ en ‘profetie’. Is het dogmatisch verdedigbaar te zeggen dat de H. Geest profetisch de gezaghebbende teksten van andere religies inspireert? D’Costa neigde naar een ontkennend antwoord op deze vraag omdat er volgens hem aan twee criteria moet worden voldaan wil men terecht kunnen spreken over de H. Geest als ‘profetisch’ en ‘inspirerend’ werkzaam: er moeten inhoudelijk relaties bestaan met Gods Verbond met Israël en met Christus. Vervolgens analyseerde D’Costa beide criteria op basis van mogelijke bezwaren vanuit de klassieke triniteitstheologie: impliceren de twee criteria een subordinatie van de Geest aan Christus en sluiten ze de mogelijkheid van een werkelijk novum van de werkzaamheid van de Geest in de wereld uit? D’Costa weerlegde de tegenwerpingen met een beroep op een negatieve christologie en op wat men zou kunnen noemen, een eschatologisch voorbehoud in de realisering van de Kerk in de heilsgeschiedenis.

Er waren twee tekstlezingen uit het werk van klassieke theologen – een ander kenmerk van het format van de XART-conferenties naast het optreden van een vooraanstaande buitenlandse theoloog. Hans van Loon begeleidde een lezing van de bekende tekst van Johannes Damascenus over de islam, de ‘ketterij van de ismaëlieten’. Van Loon is onderzoeker aan het Centrum voor Patristisch Onderzoek (VU en FKT). Arie Baars, hoogleraar aan de TUA, verzorgde tekstlezingen uit het psalmencommentaar en uit de Instituties van Calvijn.

Gewoonlijk is er op de XART-conferentie ook altijd een lezing door een bijbelwetenschapper rond het conferentiethema. Door omstandigheden verviel dit onderdeel deze keer. In plaats daarvan gaf Daniela Müller (RU) een lezing over de historische ontwikkeling rond het Filioque van de 5e tot de 15e eeuw. Op de laatste dag van de conferentie gaven Akke van der Kooi (PThU) en Herwi Rikhof (FKT) beiden een referaat over hun onderzoek binnen het XART-onderzoeksprogramma ‘Actuality of God-talk’. De onderwerpen waren de H. Geest en urban mission (Van der Kooi) en de inwoning als proprium van de Geest (Rikhof). Beide onderzoekers hadden als bijzondere invalshoek voor hun presentatie de opdracht meegekregen om duidelijk te maken wat hun eigen gedrevenheid en theologische zorg in het onderzoek is. Dit ‘communicatieve speerpunt’ zorgde niet alleen voor heel levendige presentaties maar bleek ook heel effectief in het overstijgen van het jargon van de eigen theologische school en in het verwoorden van gewoonlijk stilzwijgend aangenomen theologische vooronderstellingen van de eigen onderzoeksgroep.

Terug naar boven