Verslag Publieksdag 2012
Vrijdag 1 juni 2012
Symposium Geloof en Hersenen
Neurowetenschappen en de theologie
Verlichting: natuur- en geesteswetenschappenHeel vroeger ging de theologie over alles. Theologen dachten immers na over God en God was de schepper en einddoel van alles. Tijdens de Verlichting veranderde dat. Vragen over de empirische werkelijkheid en over de waarheid werden het exclusieve domein van de natuurwetenschappen. De 18e eeuwse Duitse filosoof Immanuel Kant noemde dat de ‘zuivere rede’. Daartegenover stelde hij de ‘praktische rede’ die zich bezighoudt met de vragen naar goed en kwaad en naar het juiste handelen. Kant verbande God en daarmee ook de theologie naar het domein van de ‘praktische rede’. Geloof en theologie hadden alleen nog maar te maken met ethiek en zingeving.
De eveneens Duitse filosoof Wilhelm Dilthey werkte Kants onderscheid verder uit in de 19e eeuw. Hij onderscheidde de natuurwetenschappen van wat hij de ‘geesteswetenschappen’ noemde. De eerste moesten objectief meten en oorzaken vinden van wat zich in de wereld voordoet (‘erklären’, noemde hij dat) en de laatste hadden als taak om te begrijpen welke inhoudelijke betekenis mensen toekennen aan de wereld (‘verstehen’).
Onder invloed van het grote succes van de natuurwetenschappen, zijn de afgelopen dertig jaar ook veel sociologen en psychologen al overgestapt van geesteswetenschappelijke naar een zuiver empirische en statistische benadering. Ook zij vonden ‘meten = weten’. Maar filosofen, theologen en de meeste historici, juristen en letterkundigen bleven zich richten op de menselijke geest.
Nu: opkomst neurowetenschappen
Sinds de jaren 80 van de vorige eeuw hebben de neurowetenschappen zich spectaculair ontwikkeld. En zij eisen nu ook het domein van de menselijke geest voor zich op. Geest, vrije wil, bewustzijn, het onderscheid tussen goed en kwaad, zingeving en het geloof zijn illusies, hallucinaties en restproducten van empirisch waarneembare en meetbare processen in de hersenen en in het zenuwstelsel. En het ontstaan van deze processen is volledig genetisch of evolutionair te verklaren. Verder niets. Einde van de geesteswetenschappen, inclusief de theologie.
In de media en bij het grote publiek is de fascinatie voor de ontwikkelingen en claims van neurowetenschappen enorm. Al die moeilijke ethische en metafysische begrippen en dilemma’s van vroeger zijn voorbij. Je kunt nu alles snappen door heel eenvoudige, mooi ingekleurde plaatjes van hersenscans met ‘oplichtende’ gebieden en door verhalen over spectaculaire casussen van medische wonderdokters.
Tegelijk zorgt het praten in onverstaanbaar medisch jargon ervoor dat de wetenschap niet al te democratisch wordt: de mensen moeten vooral blijven beseffen dat medici en neurowetenschappers hooggezeten, onaantastbare autoriteiten zijn.
Theologen over neurowetenschappen:
verslag van het symposium tijdens de Publieksdag TST
Op de Publieksdag op 1 juni van de School of Catholic Theology, gingen ’s ochtends drie hoofdsprekers in op de uitdaging die de neurowetenschappen stellen aan de theologie. Ze richten zich respectievelijk op de ethiek, de vrije wil en de religieuze ervaring.
Prof.dr. Roger Burggraeve SDB: ethiek
Roger Burggraeve (KU-Leuven) schetste de overgang van jaren 70, toen het linkse ‘sociaal constructivisme’ vannurture over nature dominant was en het ideaal van de maakbare samenleving naar het ‘rechtse’ natuurwetenschappelijk naturalisme van de jaren 90:nature over nurture. Ontwikkelingen in de genetica, evolutietheorie en neurowetenschappen verleiden sommige wetenschappers tot ideologische verabsoluteringen, bijvoorbeeld dat de vrije wil en morele verantwoordelijkheid illusies zijn. Met een beroep op de middeleeuwse denker Thomas van Aquino, pleitte Burggraeve ervoor om de tegenstelling tussen natuur en cultuur, lichaam en geest te overstijgen. Ze sluiten elkaar niet uit, maar bestaan in wisselwerking met elkaar.
Mw. prof.dr. Palmyre Oomen: vrije wil
Palmyre Oomen (RU Nijmegen, TU Eindhoven) sprak eerst over het beroemde experiment van Benjamin Libet uit de jaren 1970. De uitkomsten ervan worden niet betwist, maar wel de interpretatie ervan. De uitkomsten hoeven niet per se te betekenen dat de hersenen onbewust al een beslissing hebben genomen voordat de proefpersoon zich daarvan zelf bewust is.
Daarna ging ze langer in op de filosoof Harry Frankfurt. In 1969 publiceerde hij een artikel met een gedachte-experiment (http://www.grenswetenschap.nl/permalink.asp?grens=4564) waarmee hij het verschil tussen twee opvattingen van ‘vrije wil’ wil verduidelijken. De eerste definitie van ‘vrije wil’ houdt in dat je kunt kiezen tussen twee alternatieven, bijvoorbeeld tussen aardbeienjam of frambozenjam. Dit staat tegenover determinisme. De andere opvatting van ‘vrije wil’ betekent dat je vrij bent om te willen wat je wilt, bijvoorbeeld om te willen eten. Dit staat tegenover dwang. De laatste vorm van ‘vrije wil’ sluit determinisme niet bij voorbaat uit en is volgens Oomen veel belangrijker: het gaat erom wie je wilt zijn en wat je wil bereiken in het leven.
Prof.dr. Marcel Sarot: religieuze ervaring
Marcel Sarot (Universiteit Utrecht) ging in op experimenten die zouden aantonen dat mystieke ervaringen kunnen worden opgewekt door bepaalde hersendelen (‘reli-lobje’ of G-spot, Godspot) te stimuleren. Hij concludeerde dat deze experimenten weinig consequenties voor de theologie hebben. Ze zeggen niets over het bestaan of niet-bestaan van God. Ze bewijzen ook niet dat de betrouwbaarheid van religieuze ervaringen samenhangt met de vraag of bepaalde hersendelen goed ontwikkeld zijn en goed functioneren. En je mag er niet uit concluderen dat de verschillen in religieuze beleving tussen bijvoorbeeld christenen, moslims of boeddhisten irrelevant zijn.
’s Middags konden deelnemers in kleinere groepjes verder praten over meer specifieke onderwerpen: technologische mensverbetering (human enhancement), kritische bespreking van Dick Swaabs boek ‘Wij zijn ons brein’, neurowetenschappelijke basis voor rechtspraak (neurolaw) en bijnadoodervaringen.


Nederlands / Dutch