Studie en studentenleven

Profileringsfonds 2018-19 Hoofdstuk 2 Financiële ondersteuning buitenlandse studenten

1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

a) WHW:
Wet op het Hoger onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek.

b) WSF2000:
Wet Studiefinanciering 2000.

c) DUO:
Dienst Uitvoering Onderwijs.

d) Studiejaar:
Gelijk aan het academisch- of collegejaar: het jaar waarin de student staat ingeschreven dat loopt van 1 september tot en met 31 augustus daaropvolgend.

e) Ondersteuning:
Financiële vergoeding uit het Profileringsfonds van Tilburg University.

f) Instellingscollegegeld:
Het collegegeld dat betaald moet worden door de student die niet voor het wettelijk collegegeld in aanmerking komt.

2. Doel van dit hoofdstuk

Dit hoofdstuk bevat de uitwerking van artikel 7.51d WHW en heeft tot doel buitenlandse studenten financieel te ondersteunen indien zij door bijzondere omstandigheden studievertraging oplopen en daardoor hun opleiding niet binnen de nominale cursusduur kunnen afronden en/of indien zij een bestuursfunctie vervullen in de medezeggenschap en studentenorganisaties.

3. Bijzondere omstandigheden

Bijzondere omstandigheden waarop de student een beroep kan doen bij het oplopen van studievertraging zijn:

a) ziekte of zwangerschap en bevalling van de student;
b) lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornissen;
c) overlijden van familieleden in de eerste graad;
d) een onvoldoende studeerbare opleiding;
e) erkende Talentstatus van het College van Bestuur (als bedoeld in het Reglement Duale Carrière Tilburg University);
f) het vervullen van bestuursfuncties in de medezeggenschap en studentenorganisaties.

4. Voorwaarden

1. Een student komt uitsluitend in aanmerking voor ondersteuning indien de student is ingeschreven voor een voltijd opleiding waarvoor aan hem nog geen graad is verleend, niet tot een van de groepen van personen als bedoeld in artikel 2.2 van de WSF 2000 behoort, en voldoet aan de voorwaarden genoemd in lid 2 en/of 3 van dit artikel.

2. De student heeft aantoonbaar studievertraging opgelopen als gevolg van omstandigheden genoemd in artikel 3a t/m e, en
a). de studievertraging heeft zich voorgedaan in de periode dat de student aan Tilburg University is ingeschreven als voltijdstudent, en
b). de student moet hebben voldaan aan de meldingsplicht zoals omschreven in artikel 6; en
c). de student moet de afspraken nakomen die met de studentendecaan schriftelijk zijn overeengekomen; deze afspraken zijn er op gericht nieuwe studievertraging te voorkomen of te beperken, en
d). de student moet tijdens de periode van vertraging ingeschreven zijn als voltijdstudent en aan Tilburg University collegegeld betaald hebben, en
e). de studievertraging heeft zich voorgedaan in de eerste 4 jaar van inschrijving voor het hoger onderwijs in of buiten Nederland (5 jaar bij inschrijving voor een master van 120 ec of zes jaar bij inschrijving voor een master van 180 ec), en
f). de student voldoet aan de leeftijdscriteria die gelden in de WSF 2000, en
g) de student maakt voor de desbetreffende omstandigheid geen gebruik van de Regeling Flexstuderen, en
h) voor zover de student een beroep doet op de omstandigheid als bedoeld in artikel 3 sub e, heeft de student geen inkomen uit de desbetreffende activiteiten, en, indien het een roeier betreft, heeft de student een NOC*NSF status of zit de student in het RTC programma van Vidar.

3. De student komt in aanmerking voor een bestuursbeurs bij overeenkomstige toepassing van hoofdstuk 1 van deze regeling.

5. Bestuursbeurs

Op studenten die recht hebben op ondersteuning wegens omstandigheden als bedoeld in artikel 3f van dit hoofdstuk, is hoofdstuk 1 van overeenkomstige toepassing. De artikelen 6 t/m 8 van hoofdstuk 2 zijn niet van toepassing.

6. Verplichte melding bij de studentendecaan

1. Om aanspraak te maken op ondersteuning moet de student iedere bijzondere omstandigheid genoemd in artikel 3 a t/m e, die tot studievertraging kan leiden, melden of laten melden bij de studentendecaan onder overlegging van de nodige schriftelijke bewijsstukken. Melding bij de onderwijscoördinator van de opleiding leidt niet tot het ontstaan van enige aanspraak. Zie meldingsplicht studievertraging

2. Melding van bijzondere omstandigheden moet zo spoedig mogelijk plaatsvinden, maar in ieder geval binnen twee maanden na het ontstaan van de bijzondere omstandigheden. Voor studievertraging die dateert van voor deze termijn, bestaat geen recht op ondersteuning, tenzij de melding onmogelijk eerder gedaan kon worden.

7. Aanvraag en vaststelling ondersteuning

1. De aanvraag om ondersteuning moet worden ingediend voor het eind van het studiejaar waarin de vertraging zich heeft voorgedaan.

2. De periode van studievertraging wordt vastgesteld aan de hand van verschillende factoren waaronder de duur van de bijzondere omstandigheden, de onderwijsprogrammering, het causale verband tussen de omstandigheden en de feitelijk opgelopen vertraging en de tijd waarbinnen de vertraging kan worden ingehaald, met dien verstande dat de ondersteuning nooit voor een periode langer dan 3 maanden wordt uitgekeerd, ongeacht de duur van de feitelijke vertraging.

3. De aanvraag moet samen met relevante bewijsstukken worden ingediend op het hiervoor vastgestelde formulier, dat verkrijgbaar is en weer moet worden ingeleverd bij de studentendecaan.

4. De navolgende bewijsstukken dienen afhankelijk van de bijzondere omstandigheid waarop de student zich beroept, met het formulier te worden meegestuurd in het Nederlands, Engels, of Duits (indien vertaald dan in een beëdigde vertaling):
a) verklaring van een in Nederland gevestigde arts/psycholoog/verloskundige;
b) bericht van overlijden uit het bevolkingsregister;
c) overzicht van eerder gevolgd hoger onderwijs in of buiten Nederland.

5. Op de aanvraag ontvangt de student binnen acht weken na ontvangst van alle relevante stukken een beslissing van het College van Bestuur. De beslissing vermeldt de mogelijkheid en de termijn voor het aantekenen van bezwaar.

8. Bedrag en uitbetaling van de ondersteuning

1. De financiële ondersteuning per maand bedraagt € 290.

2. De student die het instellingscollegegeld betaalt op grond van zijn nationaliteit, en op grond van deze regeling aanspraak kan maken op ondersteuning komt, voor een periode die gelijk is aan die van de financiële ondersteuning, ook in aanmerking voor vergoeding van het verschil tussen het feitelijk betaalde instellingscollegegeld en het wettelijk collegegeld.

3. De ondersteuning wordt verleend in de vorm van een gift.

4. Uitbetaling vindt plaats per maand vanaf de eerste maand volgend op het verstrijken van de periode die genoemd is in artikel 4 lid 2 onder e.

5. De ondersteuning wordt gemaximeerd op 3 maanden per cursusjaar van de nominale cursusduur.

6. Cumulatie van omstandigheden bedoeld in artikel 3 leidt nooit tot een financiële ondersteuning van meer dan 3 maanden per studiejaar.

9. Hardheidsclausule

In zeer bijzondere omstandigheden, ter beoordeling door het College van Bestuur, waarbij de afwijzing van een verzoek op grond van deze regeling of de toepassing van bepalingen in deze regeling tot onbillijkheden van overwegende aard zou leiden, kan het College van deze regeling afwijken.

10. Bezwaar- en beroepsmogelijkheden

Tegen beslissingen op grond van deze regeling, kan door de betrokken student binnen zes weken na bekendmaking van de beslissing online een bezwaarschrift worden ingediend op www.tilburguniversity.edu/bezwaar, binnen zes weken na bekendmaking van de beslissing.