-

Cultuur en Religie

De rellen in Schilderswijk verbazen niet

Minder bureaucratie bij de politie leidt tot meer discriminatie, stellen Paul Mutsaers van Tilburg University en Sinan Çankaya van VU Amsterdam op basis van hun onderzoeken naar politiediscriminatie. Na de rellen in Schilderswijk is er behoefte aan duidelijke instructies en regels voor politieagenten, betogen zij in NRC Handelsblad van 13 juli.



“Mijn doembeeld is Ferguson”, schreef korpschef Bouman onlangs in een interne blog. De rellen in de Haagse Schilderswijk mogen dan ook niet verbazen. Er waren voldoende signalen die wezen op een verstoorde relatie tussen de politie en migrantenjongeren in de internationale stad van vrede en recht. Jarenlang hebben wij, afzonderlijk van elkaar, onderzoek verricht naar de politieorganisatie. Gezamenlijk kunnen wij ons buigen over 185 diepte-interviews, ruim 700 uur observaties op de noodhulp en in wijkteams, en duizenden uren aan informele gesprekken binnen de politieorganisatie in de periode 2007-2013. Onze conclusie: er is sprake van structurele discriminatie binnen en door de Nederlandse politie.

In de reacties op de zaak Mitch Henriquez beroept men zich veelal op het complexiteitsargument: omdat het alledaagse politiewerk zo ingewikkeld is, moeten agenten wel overgaan tot simplificaties in de alsmaar complexere sociale wereld. Dit kan leiden tot discriminatie. Wij gaan mee met deze redenatie, maar willen deze in een bredere context plaatsen.

Een migrantenvijandig kader van beleid, wetgeving en politiek

Ten eerste ontwikkelt politiediscriminatie zich in een migrantenvijandig kader van beleid, wetgeving en politiek. Journalisten, wetenschappers en politici komen daarbij steeds meer tegemoet aan de maatschappelijke wens van repressie door in ferme taal zondebokken te creëren van migranten. Deze socio-politieke druk op agenten om te discrimineren maakt hun werk inderdaad complexer. Van belang is ook het sentiment dat de overheid de controle in bepaalde wijken heeft verloren. De neoliberale staat wil zich “revancheren” door de straat te “heroverwinnen”, omdat die zogezegd  “gekaapt” wordt door snotneuzen, overlastgevers en “achterlijke gladiolen” die het gezag niet aanvaarden. Dit gevoel van controleverlies past bij het idee van een risicosamenleving, waarin mannelijke migranten voortdurend worden afgeschilderd als een bedreiging voor de Nederlandse cultuur, orde en veiligheid. Uiterlijkheden werken daarbij als criminogene risico-indicatoren om mannelijke migranten te controleren, vooral in witte en vermogende wijken. Denk bijvoorbeeld aan de zaak van de Ghanese tuinman; die werd gecontroleerd in de vermogende en witte gemeente Aerdenhout, omdat hij er niet zou horen. Oftewel, politiecontroles vormen een raciale ruimtelijke ordeningspolitiek.

Oorzaak ligt bij systeem, niet bij individu

Vanwege deze uiteenlopende socio-politieke ontwikkelingen kan politiediscriminatie niet gereduceerd worden tot de individuele besluiten en psyche van straatagenten. Toch is dat juist de beleidsreactie van de organisatie. In allerlei persoonlijke ontwikkelingsplannen en bewustwordingstrainingen worden agenten geleerd hun eigen “authenticiteit” te ontdekken, zichzelf te leren kennen en om niet te discrimineren. Deze psychologisering draagt eraan bij dat agenten particuliere ideeën ontwikkelen over fundamentele vragen van het alledaagse politiewerk, zoals: wat is rechtvaardig politiewerk, waartoe dient de politie en hoe ben ik effectief als politieagent? Wanneer deze personificatie leidt tot discriminatie wordt het probleem - logischerwijs - gezocht in het hoofd en de persoonlijkheid van de agent, en niet in zaken als beleid, waaronder concrete discriminatoire werkopdrachten, de verruiming van handhavingswetgeving, zoals de Wet ID, of organisatiekenmerken, waaronder het lage percentage etnische minderheden binnen de politie. Door het probleem te psychologiseren en te individualiseren, zuivert het instituut zich van enige blaam in de problematiek.

De opkomst van een risicomentaliteit

Ten derde, een belangrijke trend in de rechtshandhaving is de verschuiving van een straf- naar een risicomentaliteit: van concrete individuele normovertreders naar risicovolle groepen die preventief moeten worden gecontroleerd en die steeds vaker cultureel of etnisch worden gedefinieerd. Deze ontwikkeling heeft een overeenkomst met het integratie-denken: in beide gevallen ligt het probleem bij de groep, waarmee elk (vermeend) lid van die groep potentieel gevaarlijk en burgerschapsonwaardig is. Deze preventieve benadering is complexer dan de reactieve politiemethode: het vooraf inschatten van een risico is vele malen moeilijker dan het reageren op een melding, waarmee vaak concrete politie-informatie gepaard gaat. Om discriminatie in dit vage gebied van risicoschatting te voorkomen, moet er sprake zijn van een degelijke en stabiele professie.

De opkomst van een risicomentaliteit loopt echter parallel aan een grootschalige reorganisatie, een vierde contextfactor. Deze reorganisatie leidt tot veel onrust en onzekerheid binnen de organisatie. Dit zijn geen ideale condities voor het complexe werk van de straatagent. Zeker niet wanneer de agent tegelijkertijd te maken heeft met een “ontbureaucratisering” die protocollen en regelgeving wegsnijdt, terwijl die juist een houvast kunnen bieden voor straatagenten. Internationaal onderzoek wees jaren geleden al uit dat straatagenten behoefte hebben aan duidelijke instructies. Zelfsturing, overgewaaid uit het bedrijfsleven, is niet voor elke publieke instantie geschikt; zeker niet wanneer deze wordt gekenmerkt door een geweldsmonopolie. 

Wij hebben vele agenten leren kennen die op een uiterst humane en tegelijkertijd professionele manier omgaan met alle mensen. Maar we laten ons niet verleiden door de psychologisering zoals hierboven beschreven. De hiërarchie van positief en negatief gewaardeerde burgers manifesteert zich weliswaar in politieoptredens, maar vindt zijn oorsprong in een bredere maatschappelijke en politieke context. Alles bijeen speelt de politieorganisatie een structurele rol in het uitsluiten van mannelijke migranten uit voornamelijk de lagere klassen die niet bij het gedroomde Nederland mogen horen. Onze gevolgtrekkingen morrelen aan de veronderstelde neutraliteit van ons politie-instituut en onderstrepen dat principes van non-discriminatie en gelijkwaardigheid onder druk zijn komen te staan. Alledaagse ontmoetingen tussen de politie en burgers, ook fatale ontmoetingen, moeten begrepen worden tegen de achtergrond van deze maatschappelijke ontwikkelingen.

Behoefte aan duidelijke kaders en regels

Er is dringend behoefte aan een sociologische inbeelding waarbij individuele besluiten en voorkeuren van gezagsdragers weer worden begrepen als collectieve, publieke kwesties. Er is behoefte aan een coherente visie op een ‘politie voor eenieder’. Er is behoefte aan robuuste, bureaucratische interventies vanuit de Nationale Politie en het bestuur: directief, verticaal en in lijn met de wet om politiediscriminatie tegen te gaan. Ook is er broodnodig behoefte aan een duidelijke afbakening van politietaken en een scheiding van persoon en ambt. De verantwoordelijkheid van politiediscriminatie kan niet worden gedeponeerd bij de straatagent; daar is het onderwerp te complex voor.

Paul Mutsaers en Sinan Çankaya zijn beide cultureel antropoloog en als postdoc verbonden aan respectievelijk Tilburg University en de Vrije Universiteit Amsterdam. De titel van Paul Mutsaers proefschrift luidde: A Public Anthropology of Policing: Law Enforcement and Migrants in the Netherlands.