Research Social and Behavioral Sciences

Promotie drs. E.C. Walhout

Titel: An infants' graveyard? Region, religion and infant mortality in North Brabant, 1840-1940
Promotores: prof. dr. A.J.A. Bijsterveld, prof. dr. T.L.M. Engelen, prof. dr. A.A.P.O. Janssens

Samenvatting

Hoewel artsen in de late negentiende eeuw op de hoogte waren van de voordelen van borstvoeding, kozen veel Noord-Brabantse moeders ervoor hun kinderen niet zelf te zogen. Daarmee verhoogden zij de kans dat hun baby’s stierven aan acute spijsverteringsziekten, zoals diarree, aanzienlijk. Religieuze zedelijke overwegingen, zoals het niet mogen ontbloten van de borst in het openbaar, maar ook lokale opvoedingsgebruiken veroorzaakten deze zwakke borstvoedingstraditie. Indertijd bestond er een duidelijk verband tussen religie, gezondheid en sterfte. 

Walhout zocht vooral antwoord op de vraag waarom tegen het einde van de negentiende eeuw de gezondheid van de Noord-Brabantse bevolking verslechterde, wat onder meer tot uiting kwam in een relatieve toename van de babysterfte. Terwijl in andere delen van Nederland de zuigelingensterfte fors daalde (ook wel aangeduid als de demografische transitie), gebeurde in de overwegend katholieke provincies Noord-Brabant en Limburg juist het tegenovergestelde. Walhout laat zien dat vooral baby’s in katholieke gezinnen veel lagere overlevingskansen hadden dan kinderen in protestantse, joodse en niet-religieuze gezinnen. Daarnaast was ook de aanwezigheid van veel katholieken in de omgeving nadelig voor de overlevingskansen: de katholieke context bepaalde de normen, waarden en gebruiken met betrekking tot gezinsleven en kinderzorg. Zij stelt echter ook vast dat katholieke zuigelingen boven de rivieren soortgelijke risicoprofielen kenden. Katholieke ouders waren doorgaans minder geneigd borstvoeding te geven en zochten nauwelijks de hulp van een arts wanneer een baby ziek werd. Wellicht hangt dit samen met hun zwakkere sociaaleconomische positie. 

Voor haar onderzoek gebruikte Walhout een verscheidenheid aan bronnen, zoals contemporaine studies van artsen, geestelijken en wiskundigen die onderzoek verrichtten naar het verband tussen religieuze denominatie en specifieke ziekte- en sterftepatronen. Daarnaast had Walhout de beschikking over grote, vaak unieke datasets, zoals de Historische Steekproef Nederlandse Bevolking, en een dataset van de demografische kenmerken van alle Roosendaalse baby’s en peuters – inclusief hun doodsoorzaak – die na 1865 in de stad stierven. De laatste bron – individuele doodsoorzakenregistratie – is slechts voor een beperkt aantal Nederlandse steden bewaard gebleven.  

Tijdgenoten en moderne historici en demografen beschreven het negentiende- en vroeg twintigste-eeuwse Noord-Brabant als een risicogebied voor baby’s. Dit beeld, zo blijkt uit Walhouts onderzoek, dient te worden bijgesteld. De provincie liet juist sterke contrasten zien: naast risicogebieden met een extreem hoge babysterfte lagen gebieden waarin gezinnen nauwelijks geconfronteerd werden met het vroegtijdig overlijden van hun pasgeborenen. De regionale variatie in babysterfte was, kortom, aanzienlijk.

Binnen overwegend katholieke gemeenschappen bepaalden kind- en familiekenmerken (zoals geslacht, de aanwezigheid van de vader, het aantal oudere broertjes en zusjes) en sociale klasse grotendeels de overlevingskansen. In Roosendaal, waar 97 procent van de bevolking katholiek was, werden vooral arbeidersgezinnen getroffen door hoge kindersterfte. Hun pasgeborenen liepen een groter risico om aan acute spijsverteringsziekten te overlijden. Het waren vooral de boeren die hun kinderen dit lot wisten te besparen: in boerengezinnen liepen baby’s juist minder risico om aan diarree te overlijden.

Het feit dat alle sociale groepen in Roosendaal in de zomermaanden een verhoogde kindersterfte kenden – door hogere temperaturen hadden bacteriën vrij spel – wijst op een zwakke borstvoedingstraditie onder alle lagen van de bevolking. Boerinnen waren wellicht eerder geneigd hun kinderen zelf te zogen. Maar waarschijnlijk profiteerden zij vooral van de beschikbare verse koemelk. Stadsbaby’s en -peuters kregen vaker pap, koe- of geitenmelk, aangelengd met – vaak vervuild – drinkwater.

Walhouts onderzoek laat zien dat moeders en vaders weliswaar zelf beslisten over zorg en voeding maar zich tevens lieten leiden door religieuze en lokale gewoonten. Er is in Nederland nooit een “gouden eeuw” van borstvoeding geweest waarin alle moeders gedurende langere tijd hun kind zoogden. Borstvoeding werd in verband gebracht met seksualiteit en mede daardoor werd de medisch gestelde termijn van zes maanden borstvoeding nauwelijks behaald. In het Noord-Brabant van rond 1880 wezen lokale geestelijken het ontbloten van de borst in het openbaar sterk af, evenals predikanten in de orthodox-protestantse Noordwesthoek van de provincie.

Ook in de huidige samenleving wordt borstvoeding nog altijd niet geheel geaccepteerd. Het grote verschil tussen toen en nu is echter dat de gezondheidsvoordelen van borstvoeding voor Nederlandse moeders en hun zuigelingen momenteel verwaarloosbaar zijn. De negentiende-eeuwse Brabantse kindersterfte lijkt veel op de situatie in de huidige derdewereldlanden, waar borstvoeding het verschil tussen leven en dood bepaalt en baby’s vooral overlijden aan infectieziekten.


Locatie: Cobbenhagengebouw, Aula (ingang via Koopmansgebouw)


Proefschrift aanvragen








 

When: 25 January 2019 13:30

Where: Route description Tilburg University campus