Campus Tilburg University hoogleraren

Promotie mr. R. de Jong

Datum: Tijd: 13:30 Locatie: Aula

Een multidisciplinair onderzoek naar de juridische grondslagen voor de bescherming van jongmeerderjarige residentiële zorgverlaters met complexe meervoudige problematiek (transitiejongeren)

  • Locatie: Cobbenhagen building, Aula (ingang via Koopmans building)
  • Promotor: prof. mr. P. Vlaardingerbroek
  • Copromotor: prof. mr. J.B.M. Vranken

Samenvatting

Romy de Jong onderzocht de problematiek van jongmeerderjarige zorgverlaters bij wie in verband met het onttrekken aan zorg de dringende noodzaak wordt gevoeld door hulpverleners om (ook) na het bereiken van de meerderjarigheid en na het vertrek uit de residentiële jeugdhulpverlening (in bijvoorbeeld de gesloten jeugdhulp of andere vormen van specialistische jeugdhulp) zorg te verlenen. Voortgezette gedwongen bescherming is voor deze jongeren lastig, omdat daartoe de juridische mogelijkheden dikwijls ontbreken. Immers, vrijwillige hulp wordt door hen meestal niet gezocht of door hen afgewezen en  het jeugdbeschermingsrecht biedt voor hen helaas geen of onvoldoende mogelijkheden .

De problematiek om deze 'transitiejongeren' toch de noodzakelijke hulp te kunnen bieden is onderzocht vanuit verschillende perspectieven. Naast een rechtswetenschappelijke analyse bestaat het onderzoek uit een sociaalwetenschappelijke en medisch-wetenschappelijke analyse van de transitieproblematiek.

De centrale bevinding is dat er zowel op niet-juridisch als juridisch niveau te weinig aandacht is voor de transitieproblematiek. Wel bestaat er een breed gedeelde wetenschappelijke consensus over het bestaan van een probleemgroep met transitieproblemen. Echter,  er is (nog) veel onduidelijkheid dan wel onbekendheid over deze jongeren, omdat zij tot op heden nog niet als zodanig integraal onderwerp zijn geweest van onderzoek.

Uit het onderzoek blijkt verder dat er – juridisch gezien – na het achttiende jaar geen adequate regelingen zijn voor een voortgezette bescherming van transitiejongeren op basis van ‘opvoedkundige grond’.

In het proefschrift worden de huidige wettelijke mogelijkheden onderzocht op hun toepasbaarheid voor deze jongmeerderjarige probleemjongeren. De bescherming van transitiejongeren kan wel plaatsvinden op andere leeftijdsongevoelige juridische grondslagen, en de daarop gebaseerde wet-en regelgeving zoals de Wet BOPZ, die per 2020 wordt vervangen door de Wet verplichte ggz en Wet zorg en dwang en de regels voor meerderjarigenbescherming, maar daarin ontbreekt de specifieke aandacht voor jongmeerderjarigen en – dus – ook voor transitiejongeren. Bovendien zijn de in die wetten geregelde grondslagen voor gedwongen hulpverlening zeer toegespitst en daarom niet toepasbaar voor een groot deel van de jongmeerderjarigen met problemen.

De centrale conclusie is dat voordat een juridische vertaling wordt gemaakt van het probleem, er eerst meer onderzoek zal moeten worden gedaan naar de kenmerken – overeenkomsten en verschillen – en de noodzakelijke behoeften van transitiejongeren. De Jong doet ook de aanbeveling om gedurende een afgebakende periode op grond van een experimenteerbepaling te experimenteren met diverse modaliteiten van verplichte residentiële én andere zorg  (bijvoorbeeld besloten, open en ambulante oplossingen) voor transitiejongeren.  De uitkomsten daarvan zullen uitwijzen of de veronderstelde verplichte residentiële (of andere) hulp ook nodig en zinvol is of kan zijn, en zo ja, onder welke voorwaarden.

Het proefschrift is van belang voor professionals die vanuit de academie of de praktijk betrokken zijn bij de (al dan niet gedwongen) residentiële of andere jeugdhulpverlening voor jongeren met complexe meervoudige problemen.