News and events Tilburg University

Taboe op borstvoeding oorzaak hoge babysterfte in N-Brabant in de 19e eeuw

Gepubliceerd: 15 januari 2019 Laatst bijgewerkt: 11 april 2019

Hoewel artsen in de late negentiende eeuw de voordelen van borstvoeding kenden, kozen veel Noord-Brabantse moeders er toch voor hun kinderen niet zelf te zogen. Daarmee steeg de kans dat hun baby’s stierven aan acute spijsverteringsziekten, zoals diarree. Indertijd bestond er een duidelijk verband tussen religie, gezondheid en sterfte. Religieuze zedelijke overwegingen, zoals het niet mogen ontbloten van de borst in het openbaar, maar ook lokale gebruiken veroorzaakten deze zwakke borstvoedingstraditie Dat stelt Evelien Walhout in haar op 25 januari te verdedigen proefschrift aan Tilburg University.

Evelien Walhout wilde weten waarom tegen het einde van de 19e eeuw de gezondheid van de N-Brabantse bevolking verslechterde, onder meer tot uiting komend in een relatieve toename van de babysterfte. Terwijl in andere delen van Nederland de zuigelingensterfte fors daalde, gebeurde in de overwegend katholieke provincies N-Brabant en Limburg juist het tegenovergestelde.

Katholieke context

De promovenda laat zien dat vooral baby’s in katholieke gezinnen lagere overlevingskansen hadden dan kinderen in protestantse, joodse en niet-religieuze gezinnen. Ook de aanwezigheid van veel katholieken in de omgeving was nadelig voor de overlevingskansen: de katholieke context bepaalde de normen, waarden en gebruiken met betrekking tot gezinsleven en kinderzorg. Zij stelt echter ook vast dat katholieke zuigelingen boven de rivieren soortgelijke risicoprofielen kenden. Katholieke ouders waren doorgaans minder geneigd borstvoeding te geven en zochten nauwelijks de hulp van een arts wanneer een baby ziek werd.

Regionale variatie

N-Brabant liet wel sterke contrasten zien: naast risicogebieden met een extreem hoge babysterfte lagen gebieden waarin gezinnen nauwelijks geconfronteerd werden met het vroegtijdig overlijden van hun pasgeborenen. De regionale variatie in babysterfte was, kortom, aanzienlijk.

Roosendaal

In Roosendaal, waar 97 procent van de bevolking katholiek was, werden vooral arbeidersgezinnen getroffen door hoge kindersterfte als gevolg van acute spijsverteringsziekten. In boerengezinnen liepen baby’s juist minder risico om aan diarree te overlijden. Het feit dat alle sociale groepen in Roosendaal in de zomermaanden een verhoogde kindersterfte kenden (door hogere temperaturen hadden bacteriën vrij spel) wijst op een zwakke borstvoedingstraditie onder alle lagen van de bevolking. Boerinnen waren wellicht eerder geneigd hun kinderen zelf te zogen. Maar waarschijnlijk profiteerden zij vooral van de beschikbare verse koemelk. Stadsbaby’s en -peuters kregen vaker pap, koe- of geitenmelk, aangelengd met vaak vervuild drinkwater.

Borstvoeding taboe

Walhouts onderzoek laat zien dat moeders en vaders weliswaar zelf beslisten over zorg en voeding maar zich tevens lieten leiden door religieuze en lokale gewoonten. Borstvoeding werd in verband gebracht met seksualiteit en mede daardoor werd de medisch gestelde termijn van zes maanden borstvoeding nauwelijks behaald. In het N-Brabant van rond 1880 wezen lokale geestelijken het ontbloten van de borst in het openbaar sterk af, evenals predikanten in de orthodox-protestantse Noordwesthoek van de provincie.

Tegenwoordig wordt borstvoeding nog altijd niet helemaal geaccepteerd. Maar het grote verschil tussen toen en nu is dat de gezondheidsvoordelen voor Nederlandse moeders en hun zuigelingen momenteel verwaarloosbaar zijn. De situatie toen is vergelijkbaar met die in derdewereldlanden nu, waar borstvoeding het verschil tussen leven en dood bepaalt en baby’s vooral overlijden aan infectieziekten.

Bronnen

Evelien gebruikte contemporaine studies van artsen, geestelijken en wiskundigen, die onderzoek verrichtten naar het verband tussen religieuze denominatie en specifieke ziekte- en sterftepatronen. Daarnaast had ze toegang tot grote, unieke datasets, zoals de Historische Steekproef Nederlandse Bevolking, en een dataset van de demografische kenmerken van alle Roosendaalse baby’s en peuters die na 1865 in de stad stierven, incl. hun doodsoorzaak. Individuele doodsoorzakenregistratie is slechts voor weinig Nederlandse steden bewaard gebleven.

Evelien Walhout (1977) is momenteel universitair docent aan de Universiteit Leiden. Als historica is ze gespecialiseerd in historische demografie en gendergeschiedenis. Zij doet vooral onderzoek naar ziekte- en sterftepatronen in het verleden. Ze werkt tevens voor diverse onderzoekscommissies, o.a. de Commissie Samson, naar seksueel misbruik in de jeugdzorg na 1945 (2012), en de Commissie De Winter, naar geweld in de jeugdzorg (2019). Voor de Radboud Universiteit Nijmegen deed ze onderzoek naar gedwongen adopties in Nederland in de periode 1956-1984.

NOOT VOOR DE PERS

Evelien Walhout verdedigt haar proefschrift An infants' graveyard? Region, religion and infant mortality in North Brabant, 1840-1940 op vrijdag 25 januari 2019 aan Tilburg University (aula, 13.30 uur). Promotores: prof. dr. Arnoud-Jan Bijsterveld (Tilburg School of Social and Behavioral Sciences, dept. Sociologie), prof. dr. Theo Engelen en prof. dr. Angélique Janssens (beiden Radboud U Nijmegen).

Nadere informatie kan worden verkregen bij de promovenda, e-mail: e.c.walhout@hum.leidenuniv.nl. Haar mobiele nummer is voor de media op aanvraag beschikbaar.

Zie ook https://www.evelienwalhout.com/

Aanvragen voor een recensie-exemplaar of eventuele interviews lopen via persvoorlichters@tilburguniversity.edu dan wel telefonisch 013-4664000.