News and events Tilburg University

Dialoog China en verdragsorganen voor mensenrechten verbeterd

Gepubliceerd: 20 december 2018 Laatst bijgewerkt: 11 april 2019

PERSBERICHT 20 dec. 2018 – Ondanks haar slechte reputatie wat betreft naleving, zoals sommige wetenschappers, NGO’s en staten betogen, beschouwt China zichzelf als gebonden aan internationale mensenrechtenverdragen. Er bestaat een structurele dialoog tussen China en de verdragsorganen, die met de tijd verbeterd is, vooral van de zijde van China.

Dat is een van de belangrijkste conclusies van Jingjing Wu’s promotieonderzoek, dat zij verdedigde op 18 december 2018 aan Tilburg University.

De veelbesproken relatie tussen China en internationale mensenrechten heeft te maken met China’s snelle opkomst als supermacht – in economische, politieke, militaire en (in sommige opzichten) culturele zin. In wetenschappelijk onderzoek echter blijft deze relatie oppervlakkig: aangezien China over het algemeen beschouwd wordt als een buitenbeentje in het internationale rechtsbestel, moet het blijkbaar anders worden behandeld. Het is deze gangbare opvatting die Jingjing Wu voor het eerst op het spoor zette van haar onderzoek.

Wu onderzocht de rechtvaardiging van op particular reasoning gebaseerde argumenten die door China naar voren worden gebracht in de constructieve dialoog over specifieke onderwerpen (bijvoorbeeld interpretatie, voorbehoud, sovereiniteit en de implementatie van verdragen).
 
Particular reasoning is een type redenering waarbij, door een beroep te doen op bepaalde omstandigheden of feiten, gevraagd wordt om een uitzondering of afwijking van de regels of principes. Een meer aansprekende maar minder precieze term hiervoor is relativistische argumenten. Een 'constructieve dialoog' is een formele onderzoeksprocedure van een internationale verdragsorgaan voor de mensenrechten waarbij de commissieleden van dat verdragsorgaan en een staat die partij is bij dit verdrag betrokken zijn. Het is een soort mondeling examen dat de staat ondergaat, waarbij vragen worden gesteld, verklaringen afgelegd en argumenten uitgewisseld met betrekking tot de naleving van het betreffende verdrag.

Resultaten
De commissies van de verdragsorganen voor mensenrechten hebben een grotere impact op China dan andersom, concludeert Wu op basis van haar onderzoek. In het bijzonder voor wat betreft onderwerpen waarover China geen sterke tegenmening heeft, maken juridisch gegronde en dialogisch constructieve argumenten die door de committees worden ingebracht een grote kans om een positieve impact op het proces te hebben. Ongegronde en niet-constructieve argumenten hebben dit effect niet, of hebben zelfs een negatieve invloed op het proces.

Wu’s onderzoek laat ook zien dat de relatie tussen China en de internationale organen op het gebied van de mensenrechten een gecompliceerde is en dat het er daardoor soms op lijkt dat een patstelling is ontstaan.

Niettemin is er een fundamentele dialoog tussen China en de verdragsorganen, die over het algemeen steeds verder is verbeterd, vooral van de kant van China. Het feit dat China moeite doet om gegronde of constructieve argumenten aan te dragen geeft aan dat het land bezig is te wennen aan de ‘terechtheid’ van de regels en principes met betrekking tot de internationale mensenrechten. Naar Wu’s mening is deze gewenning een proces van institutionalisering. Met andere woorden, ondanks haar relatief zwakke reputatie op het gebied van naleving (wat wordt betoogd door sommige wetenschappers, NGO’s en staten), beschouwt China zichzelf wel degelijk als gebonden aan het regime op het gebied van de internationale mensenrechten.

Noot voor de redactie