Paul van Geest

Theoloog Paul van Geest beschouwt de verwevenheid van de kerk en de samenleving

Passie 4 min. Tineke Bennema

Tilburg University is ooit gesticht als een katholieke handelsschool, met priesters als Cobbenhagen en Goossens aan de basis. Er was dus sprake van een lange relatie met de kerk, maar deze veranderde in de loop van de tijd. Over de verwevenheid van de kerk met universiteit en samenleving een gesprek met theoloog Paul van Geest. Hij is hoogleraar kerkgeschiedenis en geschiedenis van de theologie aan Tilburg University, en lid van de Pauselijke Theologische Academie in Rome.

Hoe word je adviseur bij het Vaticaan?

‘Een paar jaar geleden kreeg ik een brief van aartsbisschop Sanna met de vraag of ik wilde toetreden tot de Pauselijke Academie voor Theologie. Daar heb ik om twee redenen onmiddellijk ja op gezegd. Ten eerste is het een adviesorgaan van de paus, de leider van de grootste soft power ter wereld: de katholieke kerk. Hoe de katholieke kerk wereldwijd opereert en van belang is, daar hebben wij in Nederland geen flauw benul meer van en dat is jammer. Want als je ergens een goed idee krijgt van universaliteit en van wat het betekent om onderdeel te zijn van een wereldgemeenschap, en dat is het tweede, dan is dat wel in de katholieke kerk.’

Paul van Geest

Zoals het menselijke bewustzijn, is God niet in woorden of denken te vatten

Hoogleraar kerkgeschiedenis en geschiedenis van de theologie Paul van Geest

Wat houdt je functie precies in?

‘Het is zeker niet zo dat ieder lid van deze academie zo maar bij de paus binnenstapt om hem van ongevraagd advies te voorzien. Het idee! Maar er zijn wel kardinalen die lid zijn van deze Academie, die de paus met grote regelmaat zien. En de lijn tussen de ‘gewone stervelingen-leden’, zoals ik, en die kardinalen is weer heel kort.

En we kunnen discussies inbrengen. Wat jongere leden hebben laatst een symposium georganiseerd over de volgende kwestie. Religie is heel bepalend voor de wereld. Maar het is gek dat mensen over God spreken op een manier zoals zij over waarneembare subjecten of objecten spreken. Je kunt namelijk niet over God spreken zoals je over een auto, een mens, of een te verifiëren object spreekt omdat je niet empirisch kunt bewijzen dat God bestaat. Maar hoe moet je nu spreken in het geseculariseerde Westen over zaken die tijd en ruimte overstijgen?

Zoals het menselijke bewustzijn, is God niet in woorden of denken te vatten. Dus als wij spreken over God weten we bij voorbaat dat we beelden en theorieën ontwikkelen die niet adequaat zijn, omdat, God groter is dan woorden en denken. En dat is dan weer een aanname – dat er een onbegrijpelijke God is – waar ook over gediscussieerd wordt. Dat lijkt in Nederland een irrelevante discussie, omdat God bij witte autochtone mensen steeds minder een rol speelt.

Maar vergis je niet: mondiaal bepaalt religie de wereld en handel meer dan je denkt. Als je dus spreekt over God alsof je gisteren nog van God zelf hebt gehoord wat de plannen met de wereld zijn, kun je ook intoleranter worden naar anderen. Daarom benadrukten wij dat in het orthodoxe spreken over God geen stelligheid mag zitten. Nu ja, daar ging de discussie over.’

In Nederland zijn steeds minder kerkelijken. Hoe belangrijk is de rol van Rome in onze samenleving en op onze universiteit in het bijzonder?

‘Dat is een ingewikkelde vraag. De katholieke kerk speelt in het Nederlandse publieke domein steeds minder een rol, hoewel je de kerk als vrijwilligersorganisatie ook weer niet kunt uitvlakken. Vroeger was die rol onmiskenbaar. In 1950 stuurde de directeur van brouwerij Grolsch zijn katholieke zonen naar de katholieke handelshogeschool in Tilburg. Die man runde toch een grote tent en was echt geen kwezel. Maar hij vroeg daar in Groenlo wel aan de pastoor of hij zijn gasten kalfskroketten mocht serveren op zijn verjaardag, die in de vastentijd viel. Waarmee ik maar wil zeggen dat destijds de invloed van de kerk zeer groot was. De maatschappelijke cohesie die daardoor ontstond, werd ook wel als beknellend ervaren, ook omdat geestelijken niet zelden al te moralistische en triomfalistische praat verkochten. Als je sommige preken van die tijd terugleest: onvoorstelbaar, wat een zekerheden allemaal. Terwijl dogma’s nu juist uitnodigen verder te zoeken.

De kerk is een levendige en leerzame paradox

Maar nu denk ik wel eens dat de samenleving in de tijd dat wij in Tilburg Karl Marx Universiteit waren bijvoorbeeld, het kind met het badwater heeft weggegooid. De kerk bracht sociale cohesie; het christelijk mensbeeld gaat ervan uit dat een mens zich niet in primair in economische transacties, maar in respectvolle, liefdevolle relaties verwerkelijkt. Daar wordt weer empathisch vermogen – collectief en individueel - bij verondersteld. Nu, die waarden en deugden zijn ver te zoeken in debatten, gesprekken, ontmoetingen, contacten van burgers met overheid en omgekeerd. Hoe individualistischer een samenleving wordt, hoe wantrouwiger elke burger hierin. In de katholieke sociale leer zijn impulsen waar te nemen om deze tendensen ten goede te keren.’

Hoe heeft de verwevenheid van de kerk en onze universiteit zich verder ontwikkeld?

‘De universiteit is destijds opgericht als katholieke handelshogeschool om zonen, veel minder dochters, uit katholieke families economie te laten studeren die meer op de katholieke leest was geschoeid. Omdat priesters zoals Cobbenhagen en Goossens een belangrijke rol speelden bij die oprichting, had de kerk een behoorlijke say in de universiteit. Vergis je niet: niet zelden kwam de eerste generatie studenten in Tilburg van het bisschoppelijk college in Roermond vandaan: een redelijke katholieke eliteopleiding. Daar gingen de scholieren ook iedere dag naar de kerk. De studenten waren dus ook gepokt en gemazeld in de katholieke levensstijl.

Die is er nu voor geen meter meer. In de zestiger en zeventiger jaren kwam er een abrupte cesuur. Zoals gezegd werd de Katholieke Universiteit Brabant tot de Karl Marx Universiteit omgedoopt. Wat lacherig werd er ook ooit aan de toenmalige rector, de katholiek Ruud de Moor, gevraagd: ‘Nou, wat merken we nu nog van het katholicisme aan de universiteit?’ Hij schijnt daarop geantwoord te hebben: ‘Dat kun je hopelijk merken aan de manier waarop we met elkaar omgaan.’ Ik vind dat zo’n briljant en doeltreffend antwoord.

Jezus van Nazareth kwam niet op de eerste plaats een set rituelen of dogma’s brengen, die respectievelijk moesten worden voltrokken en ondertekend. Op basis van de oude joodse gedragscodes trachtte hij, onder andere in tijdloze en briljante parabels, mensen op een eerlijk-confronterende maar uiteindelijk vooral respectvolle, inclusieve en barmhartige wijze met elkaar te laten omgaan. Dat is hem bij leven niet helemaal gelukt. Dat lukt ons ook nog van geen kanten. Maar de katholieke kerk, wereldwijd, is wel een broedplaats waar je zijn levenswijze kunt inoefenen. Dat dat niet altijd lukt, om het maar met een understatement te zeggen, dat weten wij en dat weten ze in het Vaticaan nog beter.

Maar een goede vriend van mij in Amerika, een natuurkundige, zei me laatst: “Die kerk is een zootje. Wat een wereldvreemde bisschoppen hebben we hier in de States. Ze luisteren soms niet eens naar onze goede paus. Maar de kerk is een paradox. Want als je goede voornemens hebt en aan je goede wil handen en voeten wilt geven, krijg je juist in de gemeenschap van mensen, die de kerk is, wind in de zeilen.” Ik vond dat een prachtige uitspraak.’