Tilburg University logo statue

Interactie tussen wetenschap,

praktijk en zorgvraag

Effectiviteit van het gebruik van de NVAB-richtlijn 'Handelen van de bedrijfsarts bij werkenden met psychische problemen' op de terugkeer naar werk door werknemers

K.M. van Beurden MSc., Dr. E.P.M. Brouwers, Prof. dr. J.J.L. van der Klink, Prof. dr. J. van Weeghel, Dr. B. Terluin

Samenvatting

In dit onderzoek werd onderzocht hoe het komt dat bedrijfsartsen hun beroepsrichtlijn ‘handelen van de bedrijfsarts bij werkenden met psychische problemen’ maar beperkt volgen. Ook werd gekeken of het richtlijngebruik verhoogd kon worden, en of dat resulteerde in een sneller herstel en een snellere werkhervatting van de werknemer. Voor dit onderzoek werd een innovatieve training ontwikkeld die tot doel had om de artsen positiever te laten denken over de richtlijn, hun kennis te vergroten en praktische problemen die richtlijngebruik in de weg staan te verhelpen. De training bleek effectief: artsen die de training hadden gevolgd volgden significant beter de richtlijn. De training bleek echter niet effectief in het verminderen van externe barrières. Dat zijn oorzaken die richtlijngebruik in de weg staan maar waarop zij zelf geen invloed hebben, zoals het feit dat bedrijfsartsen zich moeten houden aan contracten die arbodiensten met werkgevers sluiten, die bijvoorbeeld een maximaal aantal consulten voorschrijven.

Vervolgens bekeken we of werknemers die behandeld werden door artsen die de training hadden gevolgd sneller hersteld waren en het werk weer hervat hadden dan werknemers van artsen die de training niet hadden gevolgd. Hiervoor werd geen bewijs gevonden. Toch concluderen we niet dat de richtlijn maar beter kan worden afgeschaft, om verschillende redenen. Ten eerste werd mede door de bovengenoemde barrières ook in de getrainde groep de richtlijn niet optimaal toegepast, waardoor het lastig is om uitspraken te doen over de effectiviteit van de richtlijn. Ten tweede zou afschaffen van de richtlijn niet wenselijk zijn omdat zieke werknemers recht hebben op een goede en zorgvuldige begeleiding, ook als deze er niet toe leidt dat de werknemer het werk sneller hervat. Deze richtlijn garandeert een zorgvuldige begeleiding, althans als deze goed wordt uitgevoerd. Afschaffing of (te) sterke versobering van de richtlijn zou er bovendien voor kunnen zorgen dat er veel variatie gaat ontstaan in het handelen van de bedrijfsarts, en dat twee zieke werknemers met een andere bedrijfsarts elk een totaal ander soort begeleiding zouden krijgen, waarbij het de vraag is wat dan de uitkomst met betrekking tot herstel en werkhervatting zal zijn. Gezien het hoge aantal mensen dat uitvalt wegens psychische problemen is het van belang om naar goede oplossingen voor dit probleem te blijven zoeken. Juist een herziening van de richtlijn naar aanleiding van de meest recente ontwikkelingen, en een daaraan gekoppelde goede scholings- en implementatiestrategie kunnen hierbij het verschil maken. Ten derde werd in dit onderzoek gevonden dat werknemers van getrainde artsen hun eigen werkvermogen en het zelfvertrouwen om weer te kunnen werken hoger inschatten. Mogelijk heeft dit een positieve invloed op aspecten van het werkhervattingsproces die wij niet hebben gemeten, bijvoorbeeld resulterend in beter functioneren op het werk.

Dit onderzoek heeft veel concrete punten opgeleverd waarmee de inhoud en vorm van de richtlijn verbeterd kunnen worden. Daarnaast levert het onderzoek een aantal concrete aanbevelingen op voor de beroepsvereniging van bedrijfsartsen en voor arbodiensten. Het onderzoek laat bovendien zien dat de nascholing aan bedrijfsartsen verbeterd kan worden. De innovatieve training werd zeer positief ontvangen door de deelnemers, en verhoogde niet alleen hun richtlijngebruik, maar ook hun werkplezier en ‘self-efficacy’. De training is als methodiek vermoedelijk ook goed bruikbaar voor (na-)scholing van andere professionals. Het artikel over de werkwijze van de training is daarom ook gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift BMC Medical Education, dat zich richt op scholing van medische professionals in het algemeen.  

Het onderzoek werd uitgevoerd bij Tranzo, Tilburg University door Dr Margot Joosen en Drs Karlijn van Beurden, projectleider was Dr Evelien Brouwers. Projectteamleden waren Prof. dr Jac van der Klink, Prof Dr. Jaap van Weeghel, en Dr Berend Terluin. Het onderzoek werd mogelijk gemaakt door ZonMw.  

 

Summary

Subject of this study was the question why occupational physicians (OPs) only minimally adhere to their professional guideline on how to treat workers with mental disorders. Moreover, we investigated how adherence to this guideline could be improved, and if a higher guideline use resulted in a faster recovery and return to work of the sick listed worker. For this study, an innovative training was developed that aimed to improve attitudes and knowledge, and decrease practical barriers for guideline use. The training proved to be effective in increasing guideline adherence, especially barriers related to knowledge and attitudes. However, little effect was found on practical barriers that OPs encountered. Some important external barriers existed on which the OPs had no influence, such as inflexible work contracts between the OPs’ own employer and the workers’ employer. These often demanded OPs to work in a way that conflicted with guideline use, such as limiting the OP to see the worker a maximum number of consultations. Next, we investigated if workers who had been guided by trained OPs recovered and returned to work more quickly than workers guided by OPs from the control group. The results did not show that this was the case. Nevertheless, we believe that this should not be reason to discard the guideline, for several reasons. First, partly due to the external barriers, among OPs from both the experimental and the control group, guideline use was still fairly low. As such it is not possible to draw conclusions on the guideline’s effectiveness. Second, discarding the guideline is not an attractive option as sick workers are entitled to a good quality treatment, even if this does not lead to a more rapid return-to-work. The guideline provides an elaborate guidance, if it is properly adhered to. Moreover, discarding the guideline may lead to high practice variations between OPs. Two similar, sick listed workers may end up receiving very different treatments, with unknown effects on recovery and work resumption. Instead, we need to continue to investigate how we can enhance recovery and work resumption in workers with mental disorders. A large number of workers is affected by these disorders. The findings and explicit recommendations that result from the present study are helpful in updating the guideline. Combined with the innovative training, an update of the guideline and more flexibility for OPs to work according to its recommendations could really make a difference. A third reason why this guideline should not be discarded is the finding that workers guided by the trained OP’s reported higher ‘workability’ and ‘return-to-work self efficacy’ than workers guided by OPs from the control group. In the literature, these are considered to be important variables of the return to work process. Perhaps the training has effect on other important aspects of this process that were not measured in this study, such as improved work functioning.

The study resulted in clear list of suggestions for improvements that can be used when updating the content and form of the guideline, and that are useful for occupational health organisations and the Netherlands Society for Occupational Medicine. OPs were highly positive about the training, which did not only improve their guideline use but also their work satisfaction and self-efficacy. The method used in the innovative training is relevant for other forms of medical education, and is explained in detail in a paper that was published in BMC Medical Education.   

Contactpersoon: mevr. Karlijn van Beurden MSc.