Nieuws en agenda

AANBIEDING INTERIM-RAPPORT INZAKE ZAAK-STAPEL

31 oktober 2011Prof. Pim Levelt, voorzitter onderzoekscommissie

Op 9 september j.l. heeft de Rector Magnificus van de Universiteit van Tilburg, prof. Eijlander, een commissie ingesteld om onderzoek te doen naar de inbreuk op wetenschappelijke integriteit door Prof. Diederik Stapel, welke hem in de dagen daarvoor was gemeld en waarvan hij zich ook persoonlijk had overtuigd.

De commissie bestaat uit drie leden: prof. Marc Groenhuijsen, hoogleraar straf-, strafprocesrecht en victimologie aan deze universiteit, prof. Jacques Hagenaars, emeritus hoogleraar Methoden en Technieken van Sociaal-wetenschappelijk onderzoek aan deze universiteit en, het Tilburgse reglement volgend, een externe voorzitter, prof. Pim Levelt die hier voor u staat. Ik ben emeritus directeur van het Max Planck Instituut in Nijmegen en oud-president van de KNAW.

De opdracht aan onze commissie was en is tweeërlei: In de eerste plaats dienen wij aard, omvang en duur van de fraude in kaart te brengen. In de tweede plaats moeten wij ons een idee vormen over de werkwijze en onderzoekscultuur die deze inbreuk mogelijk hebben gefaciliteerd, alsmede aanbevelingen formuleren die herhaling kunnen voorkomen.

De Commissie streefde ernaar om voor eind oktober de Rector een interim-rapportage aan te bieden. Dat hebben we dus bij dezen gehaald.

De heer Stapel is zijn wetenschappelijke carrière begonnen aan de Universiteit van Amsterdam, waar hij in 1997 promoveerde. In het jaar 2000 werd hij hoogleraar in Groningen en eind 2006 volgde zijn benoeming in Tilburg. In goed overleg tussen de rectores van deze drie universiteiten zijn er in Amsterdam en in Groningen zustercommissies ingesteld, die de publicaties van de heer Stapel onderzoeken welke in die twee eerdere tijdvakken zijn verschenen. De drie commissies werken zorgvuldig samen. In het interim-rapport dat ik de Rector ga aanbieden zijn op de geëigende plaatsen de relevante teksten ingevoegd die door de andere commissies zijn aangeleverd.

De werkwijze van de drie commissies is vergelijkbaar. Wij zijn begonnen met het verzamelen van alle publicaties van de heer Stapel en de onderzoeksgegevens die daaraan ten grondslag liggen. We hebben interviews gehouden met co-auteurs, voormalige promovendi, collega's, bestuurders en de klokkenluiders die de fraude hebben ontdekt en gemeld.

Wat zijn onze bevindingen? De omvang van de fraude is zeer aanzienlijk, zo hebben wij geconstateerd. Op dit moment hebben we zekerheid over zo'n dertigtal tijdschriftartikelen, die door Stapel gefabriceerde data bevatten. Dit zijn publicaties in de beste, peer-reviewed tijdschriften op zijn vakgebied. We hebben serieuze vermoedens van fraude t.a.v. van nog eens enkele tientallen artikelen, waaronder ook hoofdstukken in boeken en proceedings. Die frauduleuze datafabricage heeft zich gedurende vele jaren afgespeeld, in ieder geval al tijdens Stapel's Groningse periode, en tenminste teruggaand tot 2004. Het uitvoeren van onze eerste opdracht, de bepaling van omvang en duur van de fraude zal nog geruime tijd in beslag nemen. We moeten, samen met onze Groningse en Amsterdamse collega's, elk van zijn ca 130 tijdschriftpublicaties onder de loep nemen, met name de statistische loep. Hetzelfde geldt voor een 24-tal hoofdstukken in boeken, plus nog een groot aantal papers in proceedings.

Wel kennen we inmiddels heel goed de aard van de fraude. De belangrijkste variant is deze. Samen met een jonge onderzoeker, dat kon een master student zijn, een promovendus of postdoc, werd, geheel á deux, een theorie bedacht waaruit één of meer toetsbare hypothesen werden afgeleid. Vervolgens werden gezamenlijk in groot detail experimenten bedacht en voorbereid waarmee die hypothesen konden worden getoetst. De onderzoekspartner prepareerde alle benodigdheden voor de experimenten, zoals vragenlijsten, plaatjes, belonend snoepgoed en wat dies meer zij, alles in de juiste aantallen. In veel gevallen moest de medewerker ook een tabel inleveren met de, op grond van de hypothesen verwachte empirische uitkomsten. Deze voorbereidingsfase was intensief en kon veel tijd vergen. Dan volgde de uitvoeringsfase. Het onderzoek zou worden uitgevoerd op onderwijsinstellingen, scholen in den lande, waarmee de heer Stapel naar eigen zeggen uitstekende contacten onderhield. De onderzoekspartner leverde alle materialen voor het experiment af aan de heer Stapel; in veel gevallen werden de spullen achter in zijn auto gezet. De heer Stapel ging daar dan zelf, zogenaamd, mee naar de betreffende school. Daar werd het experiment zogenaamd uitgevoerd, in veel gevallen door 'betaalde research assistenten' van de heer Stapel. Die voerden ook, zogenaamd, de data in de computer. Na enige tijd ontving de junior onderzoeker de dataset van de heer Stapel, deed daarop de gebruikelijke analyses en schreef een eerste versie van het verslag, resp. het artikel. Ons rapport meldt ook andere varianten van Stapel's datafabricage, maar dit voldoet om een beeld te geven.

Niet alleen is de omvang van Stapel's fraude verbijsterend -- de commissie is van de ene verbazing in de andere gevallen -- maar nog schokkender is het persoonlijke leed dat hij daarmee heeft aangericht. Met name heeft hij, niets ontziend, jonge mensen die aan zijn zorgen en leiding waren toevertrouwd, misbruikt voor zijn eigen eer en glorie. Bij slechts 7 van zijn 21 Groningse en Tilburgse promovendi staat vast dat de dissertaties geen gefingeerde data bevatten. Alle andere, tweederde dus, bevatten data die door de promotor zijn aangereikt. Bij veel daarvan bestaat zekerheid, respectievelijk serieuze verdenking, dat die data zijn gefingeerd. We spreken hier over jonge, ambitieuze onderzoekers, die bij het begin van hun wetenschappelijke carrière moeten ontdekken dat hun promotor ze heeft voorgelogen, die niet meer met trots naar hun eigen dissertatie kunnen kijken, die een deel, soms de meerderheid van hun tijdschriftpublicaties van hun CV moeten schrappen. Zij zijn ten diepste in hun eer en in hun carrière getroffen. Onze commissies hebben kunnen vaststellen dat zij allen onwetend waren over deze datafraude en die ook niet hebben kunnen vermoeden. Ook andere co-auteurs zijn in meerdere of mindere mate beschadigd door Stapel's niets ontziende manipulaties, die grote morele verontwaardiging hebben opgewekt.

Hoe heeft de heer Stapel deze fraude-op-grote-schaal zo lang weten vol te houden? De belangrijkste verklaring hier moet worden gezocht in Stapel's werkwijze, een combinatie van raffinement en machtmisbruik. De zorgvuldige, intensieve voorbereiding van elk experiment liet er geen twijfel over dat het om werkelijk onderzoek ging. Er werd rekening gehouden met examenperiodes op de scholen. De scholen wilden (zogenaamd) alleen met de heer Stapel te doen hebben, die er (zogenaamd) voordrachten hield of de scholen beloonde met beamers of computers. Die exclusiviteit, zo liet hij weten, garandeerde ook toekomstige samenwerking. Het werd niet op prijs gesteld dat er steeds weer andere jonge onderzoekers de klassen binnen zouden lopen. De ingevulde vragenlijsten, als daar om werd gevraagd, waren niet meer beschikbaar; het was onmogelijk voor de scholen of de heer Stapel zelf die grote stapels te bewaren. Enzovoorts.

De heer Stapel verkeerde in een zichtbaar machtige positie. Hij was de wetenschappelijke coryfee van het Departement, zo niet van de faculteit. Hij werd departementsvoorzitter en vervolgens decaan. Zijn gezag was onaantastbaar. Dat oogstte bewondering, maar ook angst. Wanneer een onderzoekspartner het waagde door te vragen naar de vragenlijsten, naar bijzonderheden van de onderzochte school of anderszins, dan wees Stapel op het vertrouwen dat hem toekwam in die intensieve samenwerking. Hij liet, als dat zo uitkwam, merken dat er twijfel kon rijzen over de voortzetting van die samenwerking of over de partner's geschiktheid voor een eventueel AiO-schap. Machtsmisbruik was hem niet vreemd.

Samenvattend moet onze commissie concluderen dat het hier gaat om een grootschalige, langdurige fraude met data, waardoor mensen en met name jonge, aan de heer Stapel toevertrouwde onderzoekers aan het begin van hun carrière, ten diepste getroffen zijn. Dit is uitzonderlijk laakbaar gedrag waardoor de wetenschap en met name het vakgebied van de Sociale Psychologie in hoge mate is geschaad. Dit wangedrag is, bij ons weten, zonder precedent voor een hoogleraar in Stapel's positie.

Het goede nieuws van onze commissie is dat de fraude alleen en uitsluitend Stapel's werk was; hij was niet de leider van een criminele organisatie. Het andere goede nieuws is dat, uiteindelijk, de wetenschap zelf-reinigend is gebleken. Het waren jonge, kritische onderzoekers die deze beerput hebben weten te openen.

De commissie heeft op grond van al haar bevindingen een aantal aanbevelingen geformuleerd. Ik noem er drie. De eerste reageert op het feit dat in Tilburg de Rector Magnificus staat aangewezen als de vertrouwenspersoon voor meldingen van integriteitschending. Het bleek de commissie dat dat voor studenten en stafleden een forse drempel was om te overschrijden. Je gaat niet hoog op naar de Rector, zo was de voor de hand liggende gedachte, als je je vermoedens niet keihard kunt maken. Daar kwam bij dat, in de algemene perceptie, de heer Stapel zich vanaf zijn aanstelling en als decaan kon verheugen in aanzienlijke steun door het College van Bestuur. Hier lag een echte belemmering voor melding, zo bleek de commissie. De Tilburgse regeling volgt niet de landelijke afspraak, de zg. LOWI-richtlijn, die een van de bestuurslijn onafhankelijke vertrouwenspersoon voorschrijft. Ons advies is dit per direct te corrigeren.

De tweede aanbeveling betreft de archivering van psychologische onderzoeksdata. De internationaal gangbare norm is dat onderzoeksdata die aan psychologische publicaties ten grondslag liggen ten minste tot vijf jaar na publicatie gearchiveerd blijven en op aanvraag ter beschikking gesteld moeten worden aan andere wetenschapsbeoefenaren. De heer Stapel stelde primaire data zoals vragenlijsten zelfs niet eens ter beschikking aan zijn eigen co-auteurs. Data-archivering stond niet in zijn woordenboek. Hij werd daar ook niet bestuurlijk op aangesproken. Die archiveringsregel dient ten spoedigste te worden geïmplementeerd hier in Tilburg. Niet alleen de ruwe laboratoriumdata moeten worden gearchiveerd, en wel zo dat ze niet meer gewijzigd kunnen worden, maar ook ingevulde vragenlijsten, band- en video-opnamen, en wat dies meer zij. De publicatie dient te vermelden waar de ruwe data zich bevinden en hoe ze toegankelijk zijn.

De derde aanbeveling die ik hier noem spruit voort uit de grote morele verontwaardiging die Stapel's handelen heeft opgewekt:

"De Commissie beveelt de Universiteit van Tilburg aan bij het Openbaar Ministerie aangifte te doen van valsheid in geschrifte c.q. oplichting door de heer Stapel. In dit verband speelt een belangrijke rol dat dit frauduleus handelen ernstige schade toe heeft gebracht aan de goede naam en carrièrekansen van aan de heer Stapel toevertrouwde jonge wetenschappers."