News and events Tilburg University

EU recht om schijnconstructies te bestrijden onvoldoende effectief

Gepubliceerd: 14 februari 2020 Laatst bijgewerkt: 14 februari 2020

Het Europese ondernemingsrecht en sociaal beleid zijn onvoldoende toegesneden op het bestrijden van schijnconstructies die opereren in het kader van de grensoverschrijdende vrije dienstverlening. Dat is de conclusie van een nieuw onderzoeksrapport van Jan Cremers (Tilburg Law School) over ondernemingsrecht, schijnconstructies en sociaal beleid.

Het Europees vakverbond publiceerde het onderzoeksrapport EU Company Law, artificial corporate entities and social policy, dat een breed gebied van met elkaar verweven disciplines behandelt. Centraal staat het fenomeen van de artificiële bedrijfsentiteiten (schijnconstructies) die opereren in het kader van de grensoverschrijdende vrije dienstverlening. Het rapport opent met een analyse van de EU-regelgeving voor de interne markt, gevolgd door een algemene evaluatie van gerelateerd sociaal beleid in de EU. Deze analyse van het acquis wordt aangevuld met een beschrijving van de implementatie en de uitvoering op nationaal niveau. 

Ondernemingsrecht, in strikte zin, lijkt nauwelijks te worden beïnvloed door de ontwikkelingen met betrekking tot fraude en regime-shopping. De termen 'rechtmatige' of onrechtmatige' onderneming komen niet voor in het EU-acquis en worden slechts sporadisch gebruikt in de wetgeving van de lidstaten. De informatie in nationale registers die nodig is om te bepalen of een bedrijf een echte onderneming is, is onvolledig en oppervlakkig en commerciële databases zijn inconsistent en gemakkelijk te manipuleren. 

Voor zover nationale instrumenten worden gebruikt om frauduleuze praktijken met rechtspersonen van ondernemingen aan te pakken in het kader van grensoverschrijdende diensten, komen deze instrumenten niet voort uit regelgeving vastgelegd in het ondernemingsrecht, noch uit de (geïmplementeerde) wetgeving met betrekking tot een faire dienstverlening. 

Wel wordt in beperkte mate getracht deze praktijken aan te pakken op basis van secundaire wetgeving in aangrenzende beleidsterreinen (via arbeidsinspecties of sociale zekerheidsinstellingen). Dergelijke nalevingsorganen missen echter veelal de bevoegdheid effectief en doortastend op te treden tegen schijnconstructies.