News and events Tilburg University

Wetsvoorstellen ter voorkoming van recidive vergen eerst nader onderzoek

Gepubliceerd: 27 februari 2020 Laatst bijgewerkt: 27 februari 2020

Om recidive van veroordeelden effectief tegen te gaan is eerst onderzoek nodig naar de effecten van nieuwe maatregelen. Twee voorliggende voorstellen van de Minister voor Rechtsbescherming op dit vlak zijn onvoldoende onderbouwd en leiden mogelijk juist tot meer recidive en extra kosten. Dat stellen rechtsgeleerden van Tilburg University, Universiteit Utrecht en VU Amsterdam in een artikel in het Nederlands Juristenblad.

 

De minister stelt op de eerste plaats voor om de voorwaardelijke invrijheidstelling te verkorten, onder meer om recidive te verminderen. Volgens dit wetsvoorstel, dat bij de Eerste Kamer ligt, worden gedetineerden voortaan niet meer na twee derde van hun straf voorwaardelijk in vrijheid gesteld: de maximale periode van de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt twee jaar. Waar gedetineerden met een straf van dertig jaar nu nog na twintig jaar onder voorwaarden vrijkomen, is dit onder het wetsvoorstel pas na achtentwintig jaar.

Volgens de minister is een voorwaardelijke invrijheidsstellingsperiode van twee jaar voldoende om gedetineerden terug de samenleving in te begeleiden en onder toezicht te laten oefenen met herkregen vrijheden. Immers, zo stelt de minister, hem is geen wetenschappelijk onderzoek bekend waaruit blijkt dat personen die langdurig zijn gedetineerd meer dan twee jaar onder toezicht zouden moeten staan om succesvol te re-integreren in de maatschappij.

Volgens de onderzoekers moet deze vaststelling echter juist aanleiding zijn voor het laten uitvoeren van dergelijk onderzoek. Niet alleen omdat de samenleving na een lange tijd detentie sterk kan zijn veranderd, maar ook vanwege mogelijk negatieve gevolgen die detentie kan hebben op belangrijke hersenfuncties van veroordeelden, zoals impulscontrole. Bepaalde hersenfuncties zijn essentieel om na vrijlating niet opnieuw een strafbaar feit te plegen.

Bovendien leidt een langere gevangenisstraf bij veroordeelden die ook een tbs-maatregel hebben ertoe dat behandeling in de tbs-kliniek later op gang komt, waardoor de behandelduur kan toenemen. Welke gevolgen dit heeft voor een succesvolle behandeling en de daarmee samenhangende kosten, blijkt niet uit het wetsvoorstel.

Juist nu de minister veroordeelden feitelijk langer wil opsluiten – waardoor de kans op detentieschade dus kan toenemen – is nader onderzoek naar detentieschade en recidiverisico bij uitstek gewenst, aldus de onderzoekers.

Risicotaxatie-instrumenten

De minister wil bij het verlenen van externe vrijheden, zoals verlof, een risico-inschatting van een bepaalde categorie gedetineerden verplicht stellen met behulp van een risicotaxatie-instrument. Ook moeten ingeschatte risico’s zwaarder meewegen bij het (niet) toekennen van externe vrijheden aan veroordeelden. Uit onderzoek blijkt echter dat de voorspellende waarde van risicotaxatie-instrumenten beperkt is en dat deze instrumenten relatief vaak iemand ten onrechte inschatten als ‘hoog risico’. Dit kan tot gevolg hebben dat bij meer nadruk op deze instrumenten meer mensen onnodig langer binnen moeten blijven – en dus ook een langere tijd in detentie zijn. Bovendien wijst (vooralsnog beperkt) onderzoek erop dat risicotaxatie-instrumenten anders werken op vrouwen en etnische minderheden.

Artikel

Het artikel Tenuitvoerlegging van strafrechtelijke sancties anno 2020: Enkele aandachtspunten vanuit verschillende disciplines door S. Ligthart, P. Jacobs, T. Kooijmans, M. Groenhuijsen, J. Harte & G. Meynen is op 26 februari 2020 gepubliceerd in het Nederlands Juristenblad.

Noot voor de pers