Tilburg University Society

Het gaat goed met Nederland, maar op straat vindt men dat anders

Welke factoren bepalen onze gezondheid? Hoe kunnen mensen gezonder leven waardoor er minder kosten zijn? Hoe richten we de veranderende verzorgingsstaat zo in dat kwetsbaren worden ondersteund? Tijdens de 36e bijeenkomst van Tilburg University Society op donderdag 16 mei 2019 in Sociëteit De Witte spraken prof.dr.ir. Jantine Schuit, decaan TSB Tilburg University en prof.dr. Kim Putters, directeur Sociaal en Cultureel Planbureau over dit thema, “The social determinants of health’’. Gastheer was oprichter en president van Tilburg University Society prof.dr. Sylvester Eijffinger.

Prof. Schuit stelt dat gezondheidsverschillen voor een groot deel verklaard kunnen worden door verschillen in gedrag en door blootstelling aan de omgeving waarin mensen wonen, werken en spelen (toegang tot voorzieningen, netwerken).  Zij deed onder meer onderzoek voor het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Eventuele achterstand in wordt van generatie op generatie doorgegeven.

Obesogene omgeving

We noemen zo'n omgeving een obesogene omgeving - een omgeving die ongezonde voedingsgewoonten stimuleert, het niveau van lichamelijke activiteit vermindert en dus het risico op obesitas verhoogt, aldus Schuit. Hoger opgeleide volwassenen laten de afgelopen 17 jaar een toename van hun lichamelijke activiteit zien, terwijl tegelijkertijd de lager opgeleide volwassenen op hetzelfde niveau blijven.

Een oplossing ligt er niet in het nog eens uitleggen van wat de gevaren zijn van weinig bewegen, ongezond eten en met name roken en wat je er aan kunt doen. Het terugdringen van gezondheidsachterstanden kan alleen als er lokaal en nationaal, integraal en intersectoraal samengewerkt wordt en dat deze aanpak zich vooral richt op de jeugd.

Maatschappelijke scheidslijnen

Prof. Putters liet zien dat in Nederland de welvaart redelijk goed is verdeeld. Er is een stijgend opleidingsniveau en een hoge en gewaardeerde kwaliteit van leven. Wel is er sprake van ongelijke verdeling van en toegang tot hulpbronnen: het persoonskapitaal, het economische, culturele en sociale kapitaal, al is deze minder scherp dan in andere landen. Het gaat goed met Nederland, maar op straat voelt het niet zo, zo vatte hij de stand van ons land samen.

De twee meest urgente maatschappelijke scheidslijnen zijn in opleidingsniveau en tussen autochtone en niet westerse inwoners. De verandering van de verzorgingsstaat stelt die scheidslijn op scherp met de nieuwe invulling van zelfhulp, vrijwilligerswerk, kleinschaligheid en decentralisatie van bestuur. 

Het negatieve sentiment komt vooral van de werkende middengroepen en van ouderen die bang zijn voor hun toekomst, met name over de zorg. Ook flexwerkers zijn negatief. Er is sprake van 30% permanente onvrede, ook over de politiek. Hoe kunnen we die onvrede te lijf gaan?

Dat brengt allereerst een andere invulling van het gezondheidsbegrip met zich mee, met meer eigen verantwoordelijkheid en positieve gezondheid (mentaal en lichamelijk welbevinden, kwaliteit van leven, participatie, zingeving ed).

Putters komt daarom met Schuit tot de conclusie dat dat alleen kan als de lokale inrichting van de verzorgingssamenleving transformeert. Het vergt bovendien een politieke visie om aan solidariteit en risicodeling invulling te geven. Een verhaal waar Nederland over gaat. Zelfredzaamheid kan niet het hoogste doel zijn, de meest kwetsbare groepen moeten een plaats krijgen. Er leven zowel in de politiek als in de samenleving te hoge verwachtingen van informele hulp.

Hij onderstreepte het door Schuit geschetste belang van samenwerking over domeinen heen om die zorg op een hoger niveau te tillen. Er moet oog zijn voor de grote regionale verschillen, in de krimpgebieden is bijvoorbeeld een tekort aan mantelzorgers. Een lokale en regionale aanpak is van belang, gemeenten moeten hierop politiek reageren en we moeten af van uniformiteit denken.

Video-impressie