Understanding Society

Tilburg University staat al meer dan tachtig jaar garant voor hoge kwaliteit van onderzoek en onderwijs. We zijn specialist in mens- en maatschappijwetenschappen en willen een structurele bijdrage leveren aan de samenleving.

Syrië en Internationaal Strafhof: niet uit naam van de slachtoffers

Door Rianne Letschert, hoogleraar internationaal recht en victimologie en Marc Groenhuijsen, hoogleraar strafrecht, strafprocesrecht en victimologie, beide verbonden aan Tilburg Law School /INTERVICT

Een groep van internationale ngo’s is al geruime tijd aan het lobbyen voor een verwijzing van de situatie in Syrië naar het Permanente Internationale Strafhof in Den Haag. Een dergelijke verwijzing is mogelijk via een VN Veiligheidsresolutie en zou betekenen dat de aanklager een onderzoek mag instellen naar mogelijk gepleegde misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven of genocide door alle betrokken partijen bij het conflict. Tot nu toe blokkeren Rusland en China de resolutie. We weten al lang dat deze landen, om uiteenlopende redenen, het regime van Assad steunen. Maar is het terecht dat de publieke opinie schande roept over het verzet van Rusland en China om deze resolutie te steunen, en zou de discussie niet veel meer moeten gaan over wat de mogelijke effecten van een inmenging van het Strafhof in een lopend conflict kunnen zijn? Een blik op de recente geschiedenis kan hierbij verhelderend werken.

Tijdens de Balkanoorlog werd besloten het Joegoslavië Tribunaal op te richten (1993), met onder meer als doel vrede en verzoening te bewerkstelligen in de regio (het Tribunaal was immers opgericht onder Hoofdstuk 7 van het VN Handvest wat gaat over de bevordering van vrede en internationale veiligheid). Dat dit een onmogelijk doel is, waar een strafrechtelijke instantie onmogelijk verantwoordelijk voor kan worden gehouden, moge duidelijk zijn. Twee jaar na de oprichting van het Tribunaal was de wereld immers getuige van het Srebrenica drama (1995). 

Ten aanzien van het conflict in Libië kwam er wel een VN-Veiligheidsresolutie (2011). Unaniem verzocht de VN-Veiligheidsraad het Internationale Strafhof een onderzoek in te stellen naar het geweld van het Libische regime van Gadaffi tegen de demonstranten. Dit was overigens een primeur. Niet eerder hadden álle leden van de Veiligheidsraad een doorverwijzing naar Den Haag gesteund. Het onderzoek kwam er en leidde er toe dat het Strafhof arrestatiebevelen uitvaardigde tegen Gadaffi, een zoon en de chef van de veiligheidsdienst. Ze werden beschuldigd van misdaden tegen de menselijkheid in de eerste twaalf dagen van de Libische opstand. Meteen al was duidelijk dat het arrestatiebevel een complicerende factor kon worden bij het zoeken naar een politieke oplossing voor de oorlog die inmiddels drie maanden woedde. Als Gadaffi al zou willen overwegen zijn macht af te staan, dan was dat nu extra onaantrekkelijk geworden door het vooruitzicht dat hij dan in een cel in Den Haag kon belanden. Inmiddels is Gadaffi door zijn tegenstanders geëxecuteerd (2011) en heeft het Strafhof onlangs besloten dat het rechtsmacht heeft ten aanzien van zijn zoon, omdat Libië niet in staat zou zijn een proces te garanderen in eigen land. We weten ook dat de situatie in Libië niet beter is geworden; onlangs nog riep de Verenigde Staten alle onderdanen op het land te verlaten.

Onze stelling is dat het Strafhof in lopende conflicten niets te zoeken heeft en zelfs een negatieve invloed kan hebben op een mogelijk vooruitzicht tot vrede. De symboliek in het roepen om een strafrechtelijke interventie kan niemand ontgaan. Vaak wordt dit gedaan uit naam van de vele slachtoffers en hun (overigens terechte) vraag naar justice. Ook wordt steevast verwezen naar het bestrijden van de zogeheten culture of impunity, oftewel het tegengaan van straffeloosheid, dat met name in het mensenrechtendiscours ferm naar voren komt. Echter, deze symboliek is een lege huls nu we nog te weinig zicht hebben op mogelijke effecten in een lopend conflict en er naar alle waarschijnlijkheid geen een slachtoffer minder door zal sterven. Het zou verstandiger zijn als de internationale gemeenschap, inclusief internationale Ngo’s, haar inspanningen richt op een daadwerkelijke beëindiging van wat een van de meest wrede en langstlopende conflicten van de 21e eeuw is. Hoe na beëindiging van het conflict met berechting en bestraffing en herstel voor slachtoffers moet worden omgegaan zal de Syrische gemeenschap voor lastige keuzes stellen. Keuzes die zij zelf zal moeten kunnen maken, ondersteund door de internationale gemeenschap. 

Dit opiniestuk verscheen op vrijdag 6 juni in de Volkskrant.