Students Tilburg University

SPSS: Het maken van een databestand

Het maken van een data-bestand doe je door in SPSS gegevens te zetten in een datamatrix of gegevensblad: een geheel van rijen en kolommen. Het is meestal het beste wanneer je de gegevens van elke onderzoekseenheid (zoals een respondent) op één rij zet in je datamatrix. In de kolommen staan dan je variabelen. Meestal begin je met een uniek identificatienummer, gevolgd door algemene gegevens zoals geslacht, leeftijd en opleiding. Daarna voer je de scores van je metingen in. Dat kunnen antwoorden zijn op vragen, uitslagen van een lichamelijk onderzoek, reactiesnelheden bij een test, enzovoorts. Hoe je een datamatrix aanmaakt en je verzamelde gegevens in een SPSS bestand kunt zetten kun je vinden in Huizingh, hoofdstuk 3, de Vocht, hoofdstuk 3 en het SPSS dictaat, hoofdstuk 3.

Direct inlezen in SPSS

Soms zijn de data al ingevoerd in een ander programma, bijvoorbeeld in Excel, of zijn ze opgeslagen als ASCII file. Je kunt de data dan direct inlezen in SPSS. Informatie hierover kun je vinden in Huizingh, vanaf paragraaf 8.5 of in de Vocht, paragraaf 3.6. Het inlezen van een ASCII file wordt ook beschreven in hoofdstuk 2 van de Heus. In dit hoofdstuk worden met datamatrix de gegevens van de ASCII file bedoeld, terwijl in de e-desk er steeds het gegevensblad in SPSS mee bedoeld wordt.

Variabelen definiëren

Naast het invoeren van de gegevens is het ook belangrijk dat de variabelen gedefiniëerd worden (tabblad 'Variable View'). In SPSS 10 worden de variabeledefinities gemaakt in een spreadsheet dat achter de datamatrix ligt (zie de tab onderaan: "variable view"). De betekenis van de onderdelen is in SPSS 9 en 10 precies dezelfde. Meer uitleg over deze onderdelen en over de verschillen tussen SPSS 9 en 10 vind je hier.

Als je gegevens in twee of meer databestanden staan, dan is het nodig om deze twee bestanden samen te voegen (<Data>, <Merge Files>). Informatie hierover kun je vinden in het boek van de Vocht, paragraaf 4.5.