Students Tilburg University

SPSS: Van hypothese naar toetsing

Bij het voorbereiden van de analyse stel je vast met welke variabelen je je hypothese gaat toetsen en welke analyse je zal uitvoeren. Afhankelijk van de variabelen die je hebt en hetgeen je wilt weten kun je kiezen voor één of meerdere specifieke analysemethode(n). Er zijn hierbij meestal meerdere manieren om tot een keuze te komen. Voordat deze worden besproken, volgt eerst een kort praktijkvoorbeeld.

Praktijkvoorbeeld

Bij de hypothese met betrekking tot taalvaardigheid ("meisjes zijn beter in taal dan jongens") zijn 25 meisjes en 30 jongens onderzocht in de leeftijd tussen 10 en 16 jaar. De leeftijd is gemeten in jaren en je hebt twee soorten taaltesten: De ene meet het leesniveau en de andere het schrijfniveau. Van beide testen heb je een ruwe score op scale niveau (zie meetniveau) en een genormeerde score (gecorrigeerd naar leeftijd en geslacht). Deze laatste score is in principe op ordinaal niveau, maar omdat er een redelijke variatie in de antwoorden zit beschouwen we deze als van (semi-)intervalniveau.

Bij de keuze voor de juiste analysemethode dien je de volgende stappen te doorlopen:

  1. Bepaal wat voor soort analyse je nodig hebt.
    In het voorbeeld van de taalvaardigheid ("meisjes zijn beter in taal dan jongens") wil je weten of er een verschil is tussen groepen.
  2. Inventariseer welke variabelen met jouw hypothese te maken hebben.
    In het voorbeeld  zijn dat geslacht (jongen of meisje) en de variabelen met de scores op de beide taaltesten. Omdat we het verschil tussen jongens en meisjes willen weten gebruiken we de ruwe score, omdat de genormeerde score gecorrigeerd is voor geslacht.
  3. Bepaal of je je gegevens moet bewerken alvorens deze te kunnen gebruiken voor de analyse.
    Voor de hypothese uit het voorbeeld kunnen we besluiten dat we twee toetsen doen, een voor schrijf- en een voor leesvaardigheid. We kunnen ook besluiten om van beide scores een schaalscore te maken. We bewerken de variabelen dan tot één nieuwe variabele, bijvoorbeeld door het maken van een somscore.
  4. Bepaal nu a.h.v. het vragenschema welke toetsen je kunt doen en bekijk opnieuw of je databewerkingen moet toepassen. In het voorbeeld hebben we per analyse twee variabelen: geslacht (onafhankelijk, nominaal) en testscore (afhankelijk, scaleniveau). Volgens het vragenschema kunnen we dan een t-toets doen.

NB: Als in het vragenschema gesproken wordt over variabelen, worden variabelen in de datamatrix bedoeld en geen abstracte of hypothetische variabelen. Bij onderling afhankelijke metingen wordt elke meting in principe als een aparte variabele beschouwd.