Students Tilburg University

SPSS: Analyse van één variabele

Eén variabele  kun je onderzoeken aan de hand van beschrijvingsmaten, de t-toets voor één gemiddelde, een frequentietabel of een grafiek. Hiermee kunnen eventuele fouten in een databestand worden opgespoord. Vragen met maar één variabele zijn alleen met behulp van dergelijke analyses beantwoord kunnen worden, bijvoorbeeld: Wat is het gemiddelde rapportcijfer voor rekenen van kinderen uit groep 5?

  • Een frequentietabel geeft informatie over de verschillende waarden die een variabele kan aannemen en hoe vaak die waarden voorkomen. Je kunt van meerdere variabelen tegelijk een frequentietabel uit laten draaien. Frequentietabellen worden meestal alleen gebruikt voor variabelen met weinig verschillende waarden. Tabellen van variabelen met veel verschillende waarden, zoals intervalvariabelen, worden erg lang en zijn daardoor niet overzichtelijk. Voor uitvoering in SPSS, klik op <Analyze>, <Descriptive Statistics>, <Frequencies>. Meer informatie in De Vocht, paragraaf 10.1, p.137).
  • Er zijn verschillende beschrijvingsmaten die je met behulp van de procedure <Frequencies> kunt laten berekenen. Kies <Analyze>, <Descriptive Statistics>, <Frequencies> en klik op <Statistics...>. Kies één of meerdere beschrijvende maten. Meer informatie over de verschillende maten is te vinden in Hinkle, Hoofdstuk 3. Welke maten zinvol zijn is afhankelijk van het meetniveau van je variabele. De volgende maten worden gebruikt:
    • Bij variabelen van nominaal niveau kan alleen de modus berekend worden; de modus geeft de categorie aan die het meest gescoord wordt.
    • Bij variabelen van ordinaal niveau kan tevens de mediaan worden berekend; dit is de score die bij ordening precies de middelste is.
    • Bij variabelen van scaleniveau kunnen ook het gemiddelde (Hinkle, p.64) en de spreidingsmaten (zoals de standaarddeviatie en de variantie; Hinkle, vanaf p.68) berekend worden. Deze kun je ook met de procedure <Descriptives> laten berekenen.
  • Als je een variabele hebt van intervalniveau, kun je het gemiddelde van je steekproef vergelijken met een specifiek constant getal, bijvoorbeeld het gemiddelde van de populatie (zie de t-toets voor één gemiddelde ; in SPSS: <Analyse>, <Compare Means>, <One-sample T Test>).
  • Als je in een oogopslag wilt (laten) zien hoe de scores van een variabele verdeeld zijn, kun je een grafiek opvragen. Welke grafiek je kiest is afhankelijk van het meetniveau van je variabele en wat je wilt laten zien:
    • Nominaal of ordinaal meetniveau: staafdiagram (bar chart), cirkeldiagram (pie chart)
    • Scale meetniveau: histogram, lijndiagram (line chart)
    Een aantal grafieken kun je ook optioneel bij de procedure <Frequencies> laten maken. Verdere informatie over grafieken is te vinden in hoofdstuk 7 van de Vocht.