-

Cultuur en Religie

'Theologen waren de eersten die over robots nadachten'

"Voor de serie Robot Love lezingen werd ik benaderd met de vraag: doen theologen nog iets met robots? Dus ik riep meteen: Jazeker! Wij zijn zelfs de eersten die erover nadachten!"

Fotograaf: Gerdien Wolthaus Paauw

Fotograaf: Gerdien Wolthaus Paauw

Interview with Paul van Geest, professor of church history and history of theology, by Tineke Bennema 

"Bijna tweeduizend jaar gelden werd aan rabbi Akiva de vraag gesteld, wie er een betere schepper was: God of de mens. En hij zei: ‘De mens! Want God schiep het koren maar de mens maakt er koekjes van.’ Zo werd er al duidelijk dat mensen de schepping perfectioneren. Er is een oude joodse legende, later verfijnd, over rabbi Löw uit Praag in de 16e eeuw, die zag hoe mensen, zelfs kinderen, de hele dag hard moesten werken. Daarom maakte hij - net zoals God die Adam schiep  -  een pop uit klei die de mens van dienst kon zijn en beschermen. Hij noemde deze Golem. De voorloper van de robot was geboren.

’s Ochtends kreeg Golem een papiertje in zijn mond waarop geschreven stond wat hij moest doen en ’s avonds haalde de rabbi het er weer uit. De rabbi wilde dat Golem zich menselijker ging gedragen en leerde hem brood eten en lezen, maar Golem kon geen goed onderscheid maken en at stenen. Hij probeerde bovendien net als de mens te lachen en plezier te maken, maar dat ging hem allemaal niet goed af. Golem ging uiteindelijk teloor.

Wat mij opvalt, is dat wij nu vaak over robots praten als middel om het ons, mensen, makkelijker te maken. Maar we moeten eigenlijk twee vragen stellen vanuit de christelijke antropologie bezien. Wat doet het met het verschijnsel mens, als hij zijn liefdesverhouding met een aquatische liefdesrobot tot doel in zijn leven gaat maken en de robot veel meer dan een middel wordt? Kunnen wij een robot echt zo lief hebben als een mens? Worden we niet als Narcissus, die alleen maar naar zijn eigen, en dan nog eens vervolmaakte beeld, kan kijken?


Theologen kunnen de horizon verbreden door vragen te stellen die het leven en jezelf in een ander perspectief zetten.

En de tweede vraag die theologen over dit onderwerp kunnen opwerpen is: stel nu dat wij robots kunnen gaan ontwikkelen die op grond van volmaakte sensoren uit onze geur, oogopslag, grootte van de iris et cetera veel beter dan mensen kunnen opmaken of wij bang zijn, onzeker, blij of juist bedroefd en daar veel empathischer en adequater op kunnen inspelen dan de verpleegkundige, vriend of partner? Maken wij ons dan niet overbodig in de schepping? En, gezien onze geschiedenis, is dat eigenlijk erg?

Toch rijst dan de vraag: moeten wij die keuze voor dergelijke robots wel maken? Alles wat mensen maken heeft twee kanten. Stel nu dat wij robots kunnen maken die niet alleen beter kunnen aanvoelen maar ook meer kunnen haten dan wij?

Wij leven nu zeker niet in het paradijs. Maar een vergelijking met het scheppingsverhaal, waarin de eerste mensen, Adam en Eva uit het paradijs verdreven worden omdat ze eigen-wijs zijn, dringt zich wel op. Stel dat wij robots maken, die ons de baas gaan zijn, machtiger zijn dan wij. Dan kunnen ze ons toch mooi uit onze comfortzone halen en gaan we een tweede verbanning uit de Hof van Eden meemaken (hij grijnst).

Nu zit de mens zo in elkaar dat als we in staat zijn om iets te doen, we daartoe over gaan. Als medescheppers van God, gaan we iets maken dat boven ons uitstijgt. De vraag is of we dit moeten willen als we dit echt gaan kunnen."

Wat behelst jouw eigen onderzoek precies?

"Op het Centrum voor Patristisch Onderzoek houden we ons bezig met de vraag naar de manieren waarop mensen een bewustzijn opriepen of intensiveerden van het numineuze, van God. Hoe vorm je redelijke denkende mensen nu zo dat zij in iets of iemand buiten tijd en ruimte gaan geloven? Ik onderzoek dat vooral bij Augustinus. Geniale man. En verder schrijf ik over wat kerkvaders van geld en handel vonden. Voor een breder publiek. Het geld van een barmhartig mens is goed, en dat van een hebzuchtig mens slecht. Want die laatste zet er een logica mee in werking waar mensen om hen heen uiteindelijk niet blij van worden. Dat zegt Augustinus dus in preek 50."

Hoe ben je theoloog geworden, vanwaar je interesse?

"Toen ik 5 was kreeg ik een brilletje en mijn grootvader zei toen eens op grond daarvan: ‘zo professor!’ Mijn grootvader maakte op mij een grote indruk en zijn woorden ook. Op de middelbare school werd ik uitgedaagd door mijn leraar klassieke talen, om scherpe vragen te stellen over de zin van het leven. En dan was er nog een vriend van een oom van mij. Die heette Ad Simonis en was bisschop. Ook die stelde goede vragen. Zo kwam ik ertoe theologie te willen studeren. Maar mijn vader zei: ga eerst maar een vak leren. Uit protest ging ik toen Nederlands studeren, want dat sprak ik toch al. Dat heb ik in no time afgerond maar in Leiden hebben ze wel een wetenschapper van me gemaakt. Toen ben ik naar Rome vertrokken om theologie te studeren. Daarna ben ik in Utrecht gepromoveerd en toen was ik het zat op de universiteit. Toen ben ik, toch een soort kakballetje, in een parochie met veel armoede gaan werken. Ik ging van mensen houden en zij van mij, met mijn brilletje. En toen werd ik hoogleraar.

Theologen kunnen de horizon verbreden door vragen te stellen die het leven en jezelf in een ander perspectief zetten. Als je een antwoord hebt gevonden heb je geen goede vraag gesteld."

Hoe zou je de impact van theologie zien op het gebied van robotica?

"Ik vond het een zeer bemoedigende ontwikkeling dat kardinaal Peter Turkson onlangs in Silicon Valley werd uitgenodigd om te spreken over dergelijke urgente vraagstukken. Ze hebben daar door dat er nu iets staat te gebeuren waarbij je eerst goed moet nadenken over de gevolgen voor de mensheid. En niet achteraf. Theologen moeten spiegels voorhouden; spiegels die in oeroude verhalen, zoals van Golem besloten liggen. En natuurlijk blijven nadenken over de vraag hoe mensen nu echt gelukkig worden op basis van wat in die verhalen is geschreven."