Studie en studentenleven

Onderwijs (H3 Studentenstatuut)

3.1 Inrichting opleidingen

3.1.1

Opleidingen aan Tilburg University kunnen voltijds, deeltijds of duaal zijn ingericht (art. 7.7 WHW). In de Onderwijs- en Examenregeling wordt de inrichting van een opleiding vastgesteld (zie hoofdstuk 5 van dit statuut).

3.1.2

Het eerste jaar wordt met het oog op het uit te brengen studieadvies zodanig ingericht dat een student inzicht verkrijgt in de inhoud van de bacheloropleiding met de mogelijkheid van verwijzing en selectie aan het eind van het eerste jaar (art 7.8 lid 5 WHW).

3.2 Onderwijstaal

Ingevolge art. 7.2 WHW wordt het onderwijs in het Nederlands gegeven. Hiervan mag slechts in de volgende gevallen worden afgeweken:

a)  wanneer het een opleiding met betrekking tot die taal betreft;

b) wanneer het onderwijs betreft dat in het kader van een gastcollege door een anderstalige docent gegeven wordt;

c) als de specifieke aard, inrichting of kwaliteit van het onderwijs, dan wel de herkomst van studenten daartoe noodzaakt.

3.3 Recht op een studeerbaar programma

3.3.1

Het onderwijsbestuur draagt zorg voor een regelmatige en tijdige beoordeling van de Onderwijs- en Examenregeling en weegt daarbij, ten behoeve van de bewaking en zo nodig bijstelling van de studielast, het tijdsbeslag dat daaruit voor de studenten voortvloeit (art. 7.14 WHW).

3.3.2

Het onderwijsaanbod en de Onderwijs- en Examenregeling worden vóór aanvang van het studiejaar bekend gemaakt. De Onderwijs- en Examenregeling bevat adequate en heldere informatie over de opleiding of groep van opleidingen, zodanig dat de student of aanstaande student zich een goed oordeel kan vormen omtrent de inhoud en inrichting van het onderwijs en van de examens (art. 7.13 WHW). Dit betreft:

a) het onderwijsaanbod zelf, inclusief voor zover van toepassing internationale aspecten, afstudeerrichtingen, en de wijze waarop het onderwijs wordt verzorgd;

b) de hoofdlijnen van de Onderwijs-en Examen Regelingen;

c) de jaarindeling en vakantiedagen.

3.3.3

De inrichting van de opleiding, waaronder de nominale studielast, is zodanig dat de student in redelijkheid 60 studiepunten per studiejaar kan halen (art.7.4 lid 2 WHW).

3.3.4

Het onderwijsbestuur bepaalt de verplichte stage-onderdelen van een opleiding en vermeldt deze in de Onderwijs- en Examenregeling. De decaan spant zich in voldoende geschikte stageplaatsen beschikbaar te stellen. De student neemt ter zake de nodige initiatieven.

3.3.5

Het onderwijsbestuur draagt er - rekening houdend met de beschikbare faciliteiten - zorg voor dat de colleges zoveel mogelijk worden aangeboden op voor de studenten redelijke tijden.

3.3.6

De decaan ziet erop toe dat het schriftelijk cursusmateriaal tijdig voor de aanvang van de colleges in voldoende aantallen bij de dictatenverkoop beschikbaar is.

3.4 Recht op een uniforme studielast

3.4.1

De studielast van elke opleiding en elke onderwijseenheid wordt door het instellingsbestuur uitgedrukt in hele studiepunten. De studielast voor een studiejaar bedraagt in beginsel zestig studiepunten. Zestig studiepunten zijn gelijk aan 1680 uren studie (art. 7.4 lid 1 WHW).

Een onderwijseenheid of vak beslaat 28 uren studie of een veelvoud hiervan. De studielast van een bacheloropleiding bedraagt maximaal 180 studiepunten en voor een masteropleiding maximaal 120 studiepunten (art. 7.4a WHW).

3.4.2

In de Onderwijs- en Examenregeling wordt de studielast van de opleiding en van elk van de daarvan deel uitmakende onderwijseenheden vermeld (art. 7.13 lid 2 sub e WHW).

3.5 Recht op kwaliteit

3.5.1

Het College van Bestuur draagt er zorg voor dat, zoveel mogelijk in samenwerking met andere instellingen, wordt voorzien in een regelmatige beoordeling, mede door onafhankelijke deskundigen, van de kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling (art. 1.18 WHW).

3.5.2

De beoordeling, en de uitvoering van de zelfevaluatie ter voorbereiding van die beoordeling, geschieden mede aan de hand van het oordeel van studenten over de kwaliteit van het onderwijs.

3.5.3

De uitkomsten van de beoordeling zijn openbaar, voor zover de beoordeling mede geschiedt door onafhankelijke deskundigen.

3.5.4

Elke student heeft het recht om schriftelijk een oordeel te geven over de kwaliteit van de gevolgde onderdelen van het onderwijs.

3.5.5

Het onderwijsbestuur regelt de wijze waarop wordt omgegaan met de uitkomst van de evaluaties van de kwaliteit (van de onderdelen) van de opleiding.

3.5.6

In het jaarverslag respectievelijk het instellingsplan van Tilburg University wordt het voorgenomen beleid ten aanzien van de kwaliteit van het onderwijs en onderzoek opgenomen, mede in het licht van de uitkomsten van kwaliteitsbeoordeling en andere gegevens omtrent de kwaliteit van de instelling.

3.6 Bijdragen onderwijs

3.6.1

De inschrijving is niet afhankelijk van enige andere geldelijke bijdrage dan het wettelijk collegegeld, instellingscollegegeld of het examengeld (art. 7.50 lid 1 WHW).

3.6.2

Kosten voor Tilburg University die voortvloeien uit wettelijke verplichtingen voor het verzorgen van onderwijs, mogen aan studenten niet worden doorberekend. Zijn aan een onderwijsactiviteit toch extra kosten verbonden, dan moet studenten een alternatief worden geboden. Dit alternatief dient helder te worden gecommuniceerd aan studenten. Additionele kosten kunnen slechts op vrijwillige basis worden doorberekend.

3.6.3

De kosten voor onderwijsbenodigdheden voor eigen gebruik, zoals boeken, materialen en practica benodigdheden, ten behoeve van deelname aan het onderwijs, de tentamens of de examens van de opleiding waarvoor een student is ingeschreven, zijn voor rekening van de student. Het College van Bestuur ziet erop toe dat de kosten in redelijke verhouding staan tot het voor studenten beschikbare budget.

3.6.4

Studenten moeten vóór de aanvang van het studiejaar inzicht kunnen krijgen in de kosten voor onderwijsbenodigdheden en van de geldelijke bijdragen.

3.7 Recht op studiebegeleiding

3.7.1

Studenten hebben recht op studiebegeleiding, de diensten van een studentendecaan en een onderwijscoördinator (art. 7.34 lid 1 sub d en e WHW). Het College van Bestuur besteedt daarbij bijzondere zorg aan de begeleiding van studenten die behoren tot een etnische of culturele minderheid waarvan de deelname aan het hoger onderwijs in betekenende mate achterblijft bij de deelname van Nederlanders die niet behoren tot een dergelijke minderheid. Voor meer informatie, zie studiebegeleiding.

3.7.2

Het onderwijsbestuur draagt zorg voor de studiebegeleiding tijdens de verschillende fasen van de studie: het eerste jaar, de vervolgfase, de eventuele stage, het afstuderen en de eventuele internationale uitwisseling.

3.7.3

In de Onderwijs- en Examenregeling wordt de bewaking van de individuele studiebegeleiding en van de studievoortgang geregeld.

3.8 Studieadvies aan het eind van het eerste studiejaar

3.8.1

Aan elke student wordt aan het einde van diens eerste jaar van inschrijving voor de bachelorfase van een voltijdse of duale opleiding, een advies uitgebracht over de voortzetting van de studie binnen of buiten de opleiding (art. 7.8b lid 1 WHW).

Voorafgaand aan het advies ontvangt de student uiterlijk in maart een preadvies.

3.8.2

Het College van Bestuur kan aan het in lid 1 bedoelde advies een bindende afwijzing van herinschrijving voor dezelfde opleiding verbinden. De afwijzing kan slechts worden gegeven indien de student naar het oordeel van het College van Bestuur, met inachtneming van zijn persoonlijke omstandigheden, niet geschikt moet worden geacht voor de opleiding, doordat zijn studieresultaten niet voldoen aan de vereisten die het bestuur daaromtrent heeft vastgesteld.

3.8.3

Voordat het College van Bestuur tot afwijzing overgaat, geeft het de desbetreffende student een waarschuwing onder bepaling van een redelijke termijn waarbinnen de studieresultaten ten genoegen van het bestuur moeten zijn verbeterd. Alvorens tot een afwijzing over te gaan wordt de student in staat gesteld te worden gehoord.

3.8.4

In de Onderwijs- en Examenregeling voor de betreffende opleidingen worden aan de bindende afwijzing verbonden voorwaarden geregeld voor wat betreft de studienorm, het meewegen van bijzondere persoonlijke omstandigheden die tot studievertraging hebben geleid en de voorwaarden voor uitstel van het advies bedoeld in artikel 3.8.1 van dit statuut.

Het College van Bestuur stelt de studentendecaan tijdig in de gelegenheid om advies uit te brengen over de rechtstreeks als gevolg van bijzondere persoonlijke omstandigheden ontstane studievertraging. Met bijzondere persoonlijke omstandigheden die niet tijdig (d.w.z. vóór 1 juli) zijn gemeld bij de studentendecaan, wordt bij de besluitvorming over de bindende afwijzing geen rekening gehouden (art. 7.8b WHW).

3.8.5

De afwijzing kan worden uitgestrekt tot opleiding die met de desbetreffende opleiding het propedeutisch examen gemeen hebben.

3.8.6

Vanaf het collegejaar 2005/2006 wordt voor alle opleidingen gebruik gemaakt van de in lid 2 genoemde bevoegdheid (bindend studieadvies).

3.9 Rechtsbescherming

De student kan tegen beslissingen inzake de studievoortgang in beroep gaan bij het College van Beroep voor de Examens (zie hoofdstuk 10 Rechtsbescherming).