News and events Tilburg University

Culturele factoren spelen een rol in pro Justitia-rapportages

Gepubliceerd: 04 januari 2021 Laatst bijgewerkt: 14 januari 2021

Gedragsdeskundigen die rapportages over verdachten maken voor de rechter, betrekken regelmatig culturele en migratie-gerelateerde factoren in hun advies. Dat blijkt uit onderzoek van strafrechtdeskundige Laura van Oploo. Van Oploo promoveert op vrijdag 8 januari 2021 op het onderzoek aan Tilburg University.

In veel strafzaken laat de rechter zich door gedragsdeskundigen voorlichten over de psyche van de verdachte. De rechter moet in bepaalde gevallen namelijk beoordelen of de verdachte ontoerekeningsvatbaar is en of er redenen zijn om bijvoorbeeld tbs op te leggen. Dit vergt psychiatrische en psychologische kennis met het oog op de relatie tussen stoornis en delict. Het advies van de pro Justitia-rapporteur is zeer relevant voor de uitkomst van de strafrechtelijke procedure en voor de straftoemeting, omdat het vaak door de rechter wordt overgenomen.

De manier waarop psychiatrische ziekten worden beleefd, geuit en verklaard, is op verschillende manieren sterk afhankelijk van de culturele context waarbinnen dit gebeurt en wordt beoordeeld. Als sprake is van een ‘culturele afstand’ tussen de gedragsdeskundige en de verdachte, kan het beoordelingsproces gecompliceerd worden. Er zijn echter weinig rapporteurs die beschikken over specifieke culturele deskundigheid.

Laura van Oploo onderzocht daarom of gedragsdeskundigen die pro Justitia-rapportages maken culturele aspecten in hun onderzoek betrekken en, zo ja, op welke manier. Ze ging na of er verschillen bestaan tussen verdachten met en zonder een migratieachtergrond. Daarbij keek ze naar de advisering van de rechter met betrekking tot de diagnostiek, de mate waarin het strafbare feit aan de verdachte kan worden toegerekend en het advies over de sanctie.

TBS versus strafadvies

Gedragskundige rapporteurs bleken geregeld aandacht te besteden aan culturele en migratie-gerelateerde factoren. Tevens bleek dat bij verdachten met een migratieachtergrond vaker een strafadvies volgde en bij verdachten zonder een migratieachtergrond vaker een (tbs-)maatregeladvies. Het gevonden verschil komt vooral tot uitdrukking in de verhouding tussen enerzijds het maatregeladvies tbs met voorwaarden en anderzijds een ambulante of klinische behandeling als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel.

Het verschil in sanctie-adviezen is opvallend, omdat verdachten zonder migratieachtergrond niet vaker verminderd toerekeningsvatbaar of ontoerekeningsvatbaar werden bevonden dan verdachten met een migratieachtergrond. Bij een verminderde mate van toerekenen komen andere sancties in beeld, zoals de tbs-maatregel. Het is mogelijk dat deze verschillen onbedoeld en onbewust ontstaan. In hoeverre dit het geval is, daarvoor is nader onderzoek nodig.

Aanbevelingen

Van Oploo beveelt onder meer aan om een culturele vraag toe te voegen aan de standaardvraagstelling pro Justitia. Daardoor wordt voor de procesdeelnemers inzichtelijker in hoeverre cultuur in het pro Justitia-onderzoek een rol speelde. Ook zouden (medisch) antropologen vaker betrokken moeten worden in het rapportageproces. Daarnaast is het belangrijk te investeren in verder onderzoek om kennis en kunde te vergroten ten aanzien van culturele factoren bij de beoordeling van de relatie tussen stoornis en delict.

Noot voor de pers