reception ph defense jack kleijnen

Max Euwe en de eerste computer op de hogeschool

Eerste mechanisch brein in Tilburg

Via Nostalgia 4 min. Pieter Siebers

Op de tweede verdieping van het Goossensgebouw bevindt zich een soort museum, een kleine ruimte met allerlei apparatuur. Afkomstig uit het voormalige rekencentrum en uit de inboedel van het ook al niet meer bestaande audiovisueel centrum (beide zijn onderdeel geworden van Library and Information Services). Wat in dit minimuseum helaas ontbreekt, is de allereerste computer op de campus, een IBM 1620.

De aanschaf daarvan was groot nieuws: Het Nieuwsblad van het Zuiden (de voorloper van het huidige Brabants Dagblad) pakte op 13 juli 1962 fors uit met het bericht waarin de komst van een ‘mechanisch geheugen’ werd gemeld. En: “In nieuwe hogeschool komt rekencentrum met computer”. Dit “eerste mechanisch brein” in Tilburg was vooral bestemd voor “wetenschappelijke berekeningen op het gebied van operations research, met name lineaire programmering en simulaties“. Maar wellicht, zo schreef de krant, kon het bedrijfsleven er ook gebruik van maken.

Niemand minder dan Max Euwe

De IBM 1620 was een zogenoemde scientific computer, die in 1959 in Amerika op de markt was gekomen en die in Nederland tot dan toe alleen te vinden was bij de technische universiteiten van Delft en Eindhoven. Dat Tilburg zo’n apparaat aankocht had alles te maken met een in 1960 ingestelde Komputerkommissie, die in november 1961 het rapport ‘Gebruiksmogelijkheden van elektronische rekenapparatuur aan de Katholieke Economische Hogeschool’ uitbracht. Dat rapport lag vervolgens ten grondslag aan de komst van een rekencentrum, waarvoor de contouren werden geschetst door niemand minder dan Max Euwe (1901-1981), een gepromoveerd wiskundige die in 1935 wereldkampioen schaken was geworden.

De wording van het rekencentrum

Euwe was op dat moment directeur van de Stichting Studiecentrum voor Administratieve Automatisering in Amsterdam en werd – met zijn ervaring als wetenschappelijk adviseur bij het Amerikaanse automatiseringsbedrijf Remington Rand – door het toenmalige universiteitsbestuur al snel gezien als toekomstig directeur van dat rekencentrum en bovendien hoogleraar in de ‘Automatische Informatieverwerking’. Euwe werd aangesteld in 1964; het rekencentrum was al op 18 oktober 1962 formeel van start gegaan met een zelfstandig bestuur. Het centrum stond vooral ten dienste van de twee wetenschappelijke instituten die de universiteit toen kende: het Instituut voor Arbeidsvraagstukken (IVA) en het Economisch Sociologisch Instituut (ESI).

Niemand voorzag dat computers de wereld dramatisch zouden veranderen

De komst van het rekencentrum en de IBM 1620 hadden te maken met ‘toenemende eisen van verwetenschappelijking en wetenschappelijkheid’ en het streven uit te groeien tot een ‘research universiteit’. Toch voorzag niemand, zo zegt alumnus en emeritushoogleraar Simulatie & Bestuurlijke Informatiekunde Jack Kleijnen, dat computers de wereld – en ook de wetenschappelijke vakgebieden – dramatisch zouden veranderen. “Dat gebrekkige inzicht was niet zo vreemd: Thomas Watson, de oprichter van IBM, verwachtte dat zijn bedrijf slechts enkele exemplaren van zijn (heel dure) computers zou verkopen, aan grote klanten zoals de overheid. Pas veel later kwamen er relatief goedkope minicomputers zoals de VAX;  IBM miste de boot. Nog veel later kwamen Apple, HP, Sun met hun ‘personal’ computers: iedereen een computer, waarmee je nu ook gratis kunt telefoneren, via het Internet." Op de foto: Jack Kleijnen

 

Jack Kleijnen

Aantekeningen werden een dictaat

Na zijn eerste studiejaar in 1958 had Jack Kleijnen zich gespecialiseerd in bedrijfseconometrie, inclusief lineaire programmering en simulatie. Hij volgde colleges bij Euwe, die onder meer het programmeren van computers doceerde - aan de hand van de handleidingen voor programmeren in Algol 60 en Fortran van de TU Delft. “In 1964 studeerde ik af, om daarna medewerker te worden bij het Economisch Sociologisch Instituut. Daar paste ik onder meer een computerprogramma toe om de afzet van sigaren in Nederland te voorspellen – een model waarin die afzet afhankelijk werd gemaakt van onder meer de prijs van sigaren, de prijs van concurrerende tabaksartikelen en het nationaal inkomen.” Kleijnen ging al snel aan de slag op de hogeschool zelf als wetenschappelijk medewerker van Max Euwe die indertijd de college-aantekeningen van Kleijnen als officieel dictaat aan studenten ter beschikking stelde. Kleijnen was in het academisch jaar 1967-1968 een jaar visiting scientist aan de Graduate School of Business Administration van de University of California in Los Angeles (UCLA). Daar stond een IBM-computer die vergelijkbaar was met de IBM 1620, zij het iets groter en duurder (want betaald door IBM).

De IBM 1620: king size koelkast met minigeheugen

ibm computer en ponsmachine

In Tilburg was het rekencentrum intussen gevestigd in het toenmalige hoofdgebouw, het huidige Cobbenhagen Building. Daar stond dan de IBM 1620, volgens Kleijnen een computer van de ‘tweede generatie’. “Zo groot als enkele koelkasten en met een geheugen van slechts 32 KB. Naast de CPU (central processing unit) van de IBM stond nog een groot apparaat om ponskaarten te lezen. Zo’n ponsmachine was in staat geautomatiseerde informatie te ‘lezen’ die was aangebracht op kartonnen ponskaarten voorzien van rijen getallen (0 t/m 9). De posities van de ponsgaatjes representeerden informatie. De gespecificeerde gegevens op de kaarten waren afkomstig van door wetenschappers ingevulde formulieren, om vervolgens door ponstypistes te worden overgetypt op ponskaarten."

Foto: De ponstypiste, tussen de IBM 1620, de ponskaartenmachine en printer.

"Ik herinner me dat als de ponskaartlezer vastliep, de onderdirecteur van het Rekencentrum – met de toepasselijke naam Ton van Reeken – een ferme trap tegen het apparaat gaf. En als je als onderzoeker een komma was vergeten, dan hoorde je dat pas de volgende dag – nadat de ponstypiste haar werk gedaan had, jij de stapel ponskaarten had ingeleverd bij de computer en die computer pas na vele uren zijn resultaten gaf. Die computer werkte toen niet online, maar in batch mode. Nu doen computers bijna alles online oftewel in real time, waardoor bijvoorbeeld zelfrijdende auto’s mogelijk zijn. Overigens zitten alle huidige auto’s al vol met microcomputers die veel krachtiger zijn dan die goeie oude IBM 1620.”

De term AI kende ik nog niet

Directeur Max Euwe had zich overigens een aantal malen laatdunkend uitgelaten over de mogelijkheden van computers, waar het ging om schaken. Zelf speelde hij voor het eerst tegen een computer op de avond voor het congres over de toekomst van rekencentra, dat hem op 3 december 1970 werd aangeboden bij zijn vertrek van de universiteit. Euwe won die partij, maar – naar eigen zeggen – ternauwernood. Vier jaar later schreef Jack Kleijnen, tijdens een verblijf op het IBM Research Center in San José, een computerprogramma voor het spelen van een business game. “Nadat ik terug in Tilburg was, heb ik dat programma laten spelen tegen studententeams. De computer won de eerste paar ronden van het spel, totdat de studenten in de gaten kregen dat ze tegen een ‘domme’ computer speelden – die telkens automatisch en dus voorspelbaar reageerde. Vervolgens bedachten ze slimmigheden om te winnen. Overigens noemde ik dat programma een dummy oftewel ‘domme’ speler; de term AI - Artificial Intelligence - kende ik nog niet.”
(Foto bovenaan: De receptie na afloop van de promotie van Jack Kleijnen in 1971. Hier wordt hij gefeliciteerd door Max Euwe, zijn promotor.)

Max Euwe Museum?

In 1971 verhuisde het rekencentrum naar het Goossensgebouw, waar zich nu het museumpje bevindt met een verder nogal bonte verzameling van memorabilia, filmapparatuur, taperecorders, een bulk eraser (waarmee tapes gewist kunnen worden), een HP-server die het ongedacht lang heeft volgehouden en een serie computers uit de jaren ’70, geschonken door het Psychologisch Laboratorium.

Op de foto: de ponskaartenmachine

ponskaartenmachine computermuseum

Het zijn – hoe divers ook - objecten die iets vertellen over een ontwikkeling waaraan steeds meer belang wordt gehecht, nu thema’s als big data en kunstmatige intelligentie een steeds grotere rol spelen op universitaire agenda. Ook het feit dat naar Euwe in 2016 een zaal werd vernoemd in het Cobbenhagengebouw wijst daarop. Momenteel zijn er plannen voor zowel een documentaire als voor de herinrichting van het museum. Dat zou – in een wat uitgebreider vorm - wellicht de geschiedenis en ontwikkeling van informatisering, automatisering en kunstmatige intelligentie aan deze universiteit kunnen behandelen. En, wie weet, ooit de naam van Max Euwe dragen.