Students Tilburg University

SPSS: Meetniveaus

In tegenstelling tot het gangbare onderscheid in 4 meetniveaus (nominaal, ordinaal, interval en ratio) onderscheidt SPSS drie meetniveau's (nominaal, ordinaal en scale). Afhankelijk van het meetniveau van je variabele(n) kun je bepaalde berekeningen of toetsen uitvoeren op je data.

De verschillende meetniveau's zijn hieronder van laag naar hoog weergegeven. Van het eerstgenoemde meetniveau zijn de analysemethoden beperkt. Elk volgend meetniveau bezit alle eigenschappen van het voorafgaande meetniveau, plus nog een uitbreiding. Hoe hoger het meetniveau, hoe meer analysetechnieken je kunt gebruiken (zie ook tweede punt bij NB) en hoe meer informatie je hebt over hetgeen je meet.

In SPSS kun je het meetniveau van een variabele aangeven in het tabblad Variable View onder de kolom "measure" (in SPSS 10). In SPSS 9 kun je het aangeven onder "define variable".

De verschillende meetniveau's zijn:

Nominaal

categorische variabelen, bv. geslacht. Bij deze variabelen worden wel getallen toegekend aan de verschillende categorieën, maar die getallen dienen alleen om de verschillende categorieën van elkaar te kunnen onderscheiden, bv. "man"= 0, "vrouw"= 1. Het maakt hierbij niet uit welke getallen je toekent. Het heeft dus ook weinig zin om met deze getallen te gaan rekenen, want je kunt  niet zeggen dat 1 meer is dan 0. Dit zou betekenen dat "vrouw" meer is dan "man".

Ordinaal

Getallen onderscheiden categorieën en weerspiegelen tevens een ordening. Bijvoorbeeld leeftijdsgroep:

    • groep 1: 0 tot 10 jaar;
    • groep 2: 10 tot 15 jaar;
    • groep 3: 15 tot 25 jaar;

Je kunt hier zeggen dat groep 3 het oudst is en groep 1 het jongst. Het is echter niet juist te zeggen dat 2 en 2x zo hoge leeftijd aangeeft als 1, of dat het leeftijdsverschil tussen 1 en 2 even groot is als het verschil tussen 2 en 3. Verschillen tussen de getallen zijn bij een ordinale schaal dus niet betekenisvol. Een speciale categorie binnen dit meetniveau is de quasi-interval variabele (zie hieronder).

Scale

Wordt soms ook wel metrisch genoemd. Binnen dit meetniveau worden de volgende twee meetniveau's onderscheiden:

Interval

Bij deze schaal weerspiegelen de getallen niet alleen een ordening, maar weerspiegelen verschillen tussen getallen ook verschillen op het attribuut dat je meet. Nu zijn de verschillen tussen getallen wel betekenisvol. Neem bijvoorbeeld de variabele "intelligentie": het verschil tussen IQ=80 en IQ=120; is even groot als het verschil tussen IQ=100 en IQ=140. Het nulpunt in deze schaal is echter willekeurig gekozen, in de zin dat IQ=0 de waarde zou zijn voor mensen bij wie intelligentie afwezig is. Vanwege deze willekeur kun je niet zeggen dat mensen met een IQ van 120 2x zo intelligent zijn als mensen met een IQ van 60. Verhoudingen tussen de getallen zijn dus niet betekenisvol.

Quasi-interval

Indien je een variabele hebt met antwoordschalen (strikt genomen een ordinale variabele) en je verwacht dat de afstand tussen twee opeenvolgende antwoordcategorieën steeds even groot is (de categorieën zijn gelijk verdeeld over het hele spectrum aan mogelijke antwoorden), mag je deze variabele toch als variabele op intervalniveau beschouwen. Dit zijn zogenaamde quasi-interval of semi-interval variabelen.

Voorbeelden hiervan zijn Likert-schalen of antwoordschalen als:

  • GOED / REDELIJK / MATIG / SLECHT
    of
    NOOIT / SOMS / REGELMATIG / VAAK / ALTIJD
    Hoe minder waarden in de antwoordschaal, hoe meer problemen dit kan opleveren bij het gebruik van de variabele als intervalvariabele. Als vuistregel geldt een minimum van 5 categorieën, maar schalen met vier categorieën worden ook al wel als semi-interval variabele beschouwd. Meestal zul je echter werken met schaalscores, die al veel beter op intervalniveau zijn te beschouwen.
  • Verhoudingsschaal (ratio-schaal): deze schaal heeft alle eigenschappen van de intervalschaal, maar hier is het nulpunt niet willekeurig gekozen, bijvoorbeeld de variabele leeftijd. Bij deze schaal weerspiegelen verhoudingen tussen getallen wel verhoudingen op het attribuut dat je meet. In tegenstelling tot de interval schaal kun je nu wel stellen dat iemand van 20 jaar twee keer zo oud is als iemand van 10 jaar. De meeste analysemethoden maken geen onderscheid tussen het interval en het ratio-niveau.

Alle technieken in SPSS, die voor het interval-niveau geschikt zijn, kun je ook gebruiken voor variabelen van ratio-niveau, vandaar ook dat SPSS de beide meetniveau's "scale" noemt. In de elektronische helpdesk zullen we de term (minimaal) intervalniveau gebruiken. In de SPSS Helpdesk zal steeds de term interval worden gebruikt, waarbij bedoeld wordt dat een variabele minimaal van interval meetniveau moet zijn.

NB:

  1. Het is niet zinvol om analyse-methoden te gebruiken die geschikt zijn voor een hoger meetniveau dan dat van de variabele uit je hypothese. Neem de nominale variabele studierichting: "economie"= 1, "rechten"= 2, "psychologie"= 3.   Indien je een gemiddelde (een maat voor interval meetniveau) zou laten berekenen voor deze variabele en er zou 0.75 uitkomen dan is dat niet te interpreteren, immers: de studenten studeren ofwel "economie" (1), ofwel "rechten" (2), ofwel "psychologie" (3). De waarde 0.75 komt niet voor en heeft ook geen betekenis.
  2. Een analyse-methode voor een lager meetniveau kun je altijd gebruiken voor een hoger meetniveau. Hiervoor moet soms wel de variabele aangepast worden.

Voor meer informatie over meetniveau's kun je Hinkle, hoofdstuk 1, blz.13, de Vocht, paragraaf 9.1.1 en de Heus, hoofdstuk 3, blz. 36 raadplegen.

Klik op de knop Back in het venster van Netscape om terug te gaan naar de vorige pagina, of ga terug naar de inleiding.